Waarom een vrieshal anders is
Noodverlichting is een van de weinige installaties die pas hun werk doen op het moment dat alles anders misgaat. Dat maakt de betrouwbaarheid ervan lastig te beoordelen, want in normaal bedrijf merkt niemand iets.
In een gekoelde omgeving komt daar een extra laag bovenop. De componenten die de installatie betrouwbaar moeten maken, functioneren juist daar het slechtst.
Het gaat niet om een marginaal verschil. Een accu die bij twintig graden een uur levert, kan bij min vijfentwintig graden een fractie daarvan halen, en dat is niet zichtbaar zolang er geen stroomuitval is.
Dit artikel beschrijft waar het misgaat in koel- en vrieshallen, en welke keuzes in ontwerp, onderhoud en toetsing het verschil maken.
Welke eisen onveranderd gelden
Het is verleidelijk te denken dat een vriescel een bijzondere situatie is waarvoor andere regels gelden. Dat is niet zo, en dat is precies het uitgangspunt.
Artikel 3.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit eist dat vluchtwegen en nooduitgangen die kunstlicht nodig hebben, zijn voorzien van noodverlichting van voldoende sterkte.
De invulling daarvan komt uit NEN-EN 1838 voor de lichttechnische eisen en NEN-EN 50172 voor het systeem en de beproeving. Geen van beide normen kent een uitzondering voor lage temperaturen.
Concreet blijft de eis van minimaal 1 lux op de hartlijn van de vluchtroute overeind, evenals de minimale brandduur die volgt uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Wat die waarden precies inhouden, staat in ons artikel over de lux-eisen voor noodverlichting.
Wat kou met accu's doet
De kern van het probleem is elektrochemisch. In een accu verlopen de reacties trager naarmate de temperatuur daalt, en de inwendige weerstand loopt op.
Het gevolg is dat de bruikbare capaciteit fors terugloopt, terwijl de accu volgens de laadindicatie gewoon vol is. De energie zit erin maar komt er niet snel genoeg uit.
Daar komt een tweede effect bij dat over de jaren speelt. Laden bij lage temperaturen is schadelijk voor veel accutypen, en een armatuur dat permanent in een vriescel hangt, laadt dus permanent onder ongunstige omstandigheden.
Waarom de datasheet dit vaak verhult
Fabrikanten geven een nominale brandduur op, meestal bepaald bij twintig graden. Dat getal is correct maar niet representatief voor uw situatie.
Zoek daarom altijd het opgegeven omgevingstemperatuurbereik op, dat bij standaardarmaturen vaak rond nul graden eindigt. Hangt de armatuur buiten dat bereik, dan vervalt in feite de prestatiegarantie.
Vraag bij twijfel om een verklaring van de leverancier over de brandduur bij de werkelijke celtemperatuur. Die vraag alleen al filtert de meeste ongeschikte producten eruit. Over de vereiste duur zelf schreven we ons artikel over de brandduur van noodverlichting.
Centrale batterij als antwoord
De meest gebruikte oplossing is om de accu simpelweg weg te halen uit de koude ruimte. Bij een centraal systeem staat de batterij in een geconditioneerde technische ruimte en voeden bekabelde armaturen zich daaruit.
Dat lost het capaciteitsprobleem in één keer op, want de accu werkt bij de temperatuur waarvoor hij is ontworpen. Het onderhoud concentreert zich bovendien op één plek in plaats van verspreid over tientallen armaturen op grote hoogte.
De keerzijde is de investering en de bekabeling, die brandwerend moet zijn uitgevoerd over het tracé. Voor een bestaande hal met een handvol armaturen is dat zelden rendabel.
De afweging tussen centraal en decentraal werken we verder uit in ons artikel over de centrale batterij.
Armatuurkeuze en temperatuurbereik
Kiest u toch voor decentrale armaturen, dan is het temperatuurbereik het enige selectiecriterium dat er echt toe doet. Alles daarna is afwerking.
Let daarbij op twee waarden die vaak verschillen: het bereik van de behuizing en dat van de elektronica erin. Een armatuur die als koudebestendig wordt verkocht, kan een driver bevatten met een nauwer bereik.
Let ook op het gedrag bij inschakelen. Sommige lichtbronnen en drivers hebben bij lage temperaturen een aanlooptijd nodig, en dat is precies wat u bij een stroomuitval niet kunt gebruiken.
Vraag ten slotte om een productblad waarin de brandduur is opgegeven bij de laagste bedrijfstemperatuur. Staat die niet vermeld, ga er dan van uit dat de waarde niet is bepaald.
Condens bij temperatuurwisseling
Het tweede faalmechanisme is mechanisch en sluipt er langzaam in. Elke keer dat een deur opengaat en warmere, vochtige lucht de cel binnenkomt, slaat vocht neer op koude oppervlakken.
Binnen een armatuur betekent dat condensvorming op de elektronica, gevolgd door bevriezing. Die cyclus herhaalt zich vele malen per dag bij een sluis of een dockdeur.
Een hoge IP-klasse is daarom geen luxe maar een voorwaarde, waarbij IP65 het minimum is en IP66 of IP67 aangewezen bij natte reiniging. Let daarbij op dat de doorvoeren en wartels dezelfde klasse halen als de behuizing.
Hang armaturen bovendien niet direct in de luchtstroom van de verdampers. Dat is de plek waar rijpvorming en ijsafzetting het snelst gaan, en waar een armatuur binnen een seizoen onder een laag ijs verdwijnt.
Pictogrammen onder rijp en damp
Een vluchtrouteaanduiding die niet leesbaar is, voldoet niet, hoe correct hij ook is opgehangen. In een vrieshal is dat een reëel risico en geen theoretische kanttekening.
Rijp op de voorzijde van een pictogram maakt het binnen korte tijd onleesbaar, zeker als het bord in de luchtstroom hangt. Damp bij het openen van een sluis doet tijdelijk hetzelfde.
Kies daarom voor verlichte pictogrammen in plaats van alleen aangelichte bordjes, en plaats ze op een positie waar de luchtbeweging beperkt is. Neem het schoonhouden op in het reinigingsschema van de cel.
De eisen aan de borden zelf, waaronder de zichtafstand en de normering, staan in ons artikel over noodverlichtingspictogrammen.
De vluchtroute uit een vriescel
Een vriescel is voor de gebruiker een ruimte met bijzondere eigenschappen: beperkt zicht bij damp, zware deuren en het risico van insluiting. De noodverlichting is daarop een aanvulling en niet de hoofdmaatregel.
Zorg dat de route naar de deur over de hele lengte is verlicht en dat de deur zelf als eindpunt herkenbaar is. Juist bij lange, identieke stellinggangen is oriëntatie het probleem en niet de lichtsterkte.
Combineer dat met de voorzieningen die bij insluiting horen, zoals een van binnenuit bedienbare ontgrendeling en een alarm. Die combinatie is bepalend, want licht zonder uitgang helpt niemand.
Vergeet daarbij de medewerkers die alleen in de cel werken niet. Ons artikel over alleen werken in het magazijn gaat in op de aanvullende maatregelen die daarbij horen, en ons artikel over vluchtwegen in het magazijn op de eisen aan de route zelf.
Testen en zelftest in de kou
NEN-EN 50172 vraagt om een periodieke functietest en een jaarlijkse test over de volledige brandduur. Dat regime verandert niet in een gekoelde omgeving, maar de uitvoering wel.
Voer de jaarlijkse duurtest uit terwijl de cel op bedrijfstemperatuur is en niet tijdens een ontdooicyclus of een stilstandperiode. Een test in een opgewarmde cel meet iets anders dan wat u wilt weten.
Noteer de celtemperatuur in het testverslag. Dat is een kleine handeling die van uw logboek een bruikbaar bewijsstuk maakt in plaats van een afvinklijst.
Zelftestende armaturen nemen werk uit handen, maar hun oordeel is beperkt tot wat ze meten. Meer daarover in ons artikel over de zelftestfunctie.
Onderhoud en logboek
Onderhoud in een gekoelde ruimte kost meer tijd dan elders, en dat is precies de reden waarom het vaker wordt uitgesteld. Plan het daarom vast in en niet op afroep.
Combineer het bij voorkeur met andere werkzaamheden in de cel, zoals de periodieke reiniging of het onderhoud aan de verdampers. Eén afgestemd moment scheelt meerdere keren opstarten.
Houd het logboek bij op dezelfde manier als voor de rest van het gebouw, maar met de temperatuur erbij. Hoe u dat logboek inricht, staat in ons artikel over het noodverlichtingslogboek.
Beoordeel bij elke ronde ook de staat van de armaturen zelf: ijsafzetting, beslagen kappen en corrosie aan de wartels zijn de vroege signalen. Ons artikel over onderhoud aan noodverlichting beschrijft de volledige cyclus.
Een versdistributeur liet na een storing de noodverlichting in de vriescel doormeten en ontdekte dat zeven van de elf armaturen na twaalf minuten uitvielen, terwijl ze alle elf een geldige jaarlijkse test in het logboek hadden. Die test was steevast uitgevoerd op de ochtend na een ontdooicyclus, wanneer de cel rond de vijf graden zat. De armaturen waren op zichzelf in orde; het testmoment was dat niet. Sindsdien staat de celtemperatuur verplicht op het testformulier en wordt de duurtest bewust op bedrijfstemperatuur gedaan.
Bij nieuwbouw of ombouw
Het moment om dit goed te regelen is het ontwerp, want achteraf bekabelen in een geïsoleerde cel is kostbaar en tast de isolatieschil aan.
Neem de eisen daarom op in het programma van eisen richting de installateur, inclusief de laagste bedrijfstemperatuur, het reinigingsregime en de gewenste IP-klasse. Laat expliciet vastleggen dat de brandduur bij die temperatuur wordt aangetoond.
Let ook op het moment van oplevering. Een installatie die bij oplevering in een nog niet gekoelde hal wordt beproefd, is niet getoetst op de situatie waarin zij moet werken.
Bij een herindeling van de stellingen geldt hetzelfde aandachtspunt: de verlichting is ontworpen op de oude gangindeling. Meer daarover in ons artikel over de normen voor noodverlichting.
Samenhang met BHV en ontruiming
Noodverlichting is een schakel in een groter geheel en werkt alleen als de rest ook klopt. In een koelhuis is dat sterker het geval dan elders.
Neem de gekoelde ruimten daarom expliciet op in het ontruimingsplan, met een afspraak over wie controleert of de cel leeg is. Dat is geen vanzelfsprekendheid, want in een vriescel is niemand hoorbaar.
Oefen de ontruiming ook daadwerkelijk vanuit de cel, inclusief het aantrekken van kleding en het passeren van de sluis. Die oefening levert vrijwel altijd inzichten op die op papier niet zichtbaar waren.
Houd er rekening mee dat de Nederlandse Arbeidsinspectie bij een incident in een gekoelde ruimte standaard vraagt naar het ontruimingsplan en naar de laatste functietest van de noodverlichting. Een logboek dat de celtemperatuur vermeldt, beantwoordt beide vragen in één keer.
Zorg ten slotte dat de ontruimingsplattegrond de gekoelde ruimten en hun uitgangen correct weergeeft, en dat uw BHV-plan rekening houdt met de tijd die redding uit een vriescel kost.
Veelgestelde vragen
Nee. NEN-EN 1838 kent geen aparte waarden voor gekoelde ruimten. Op de hartlijn van een vluchtroute geldt onverminderd een minimum van 1 lux, en voor open ruimten geldt de anti-paniekwaarde over het kerngebied. Wat wel verandert is de techniek die nodig is om die waarden ook na een uur nog te halen, want daar zit bij lage temperaturen het knelpunt.
Om twee redenen tegelijk. De ingebouwde accu levert bij min 20 tot min 25 graden een fractie van zijn nominale capaciteit, waardoor de voorgeschreven brandduur niet wordt gehaald. Daarnaast is de behuizing van een standaardarmatuur niet gemaakt voor de condens die bij elke temperatuurwisseling ontstaat. Fabrikanten geven daarom een temperatuurbereik op, en dat eindigt bij gewone armaturen meestal rond het vriespunt.
Verplicht is het niet. De wet en de normen schrijven een prestatie voor en geen systeemkeuze. In de praktijk is een centraal systeem met de accu in een geconditioneerde ruimte wel de meest voorkomende oplossing, omdat het de accu volledig buiten de koude omgeving houdt en het onderhoud op één plek concentreert.
Dat hangt af van het reinigingsregime en de mate van condens. Voor een koelcel zonder natte reiniging is IP65 gebruikelijk; wordt er met water of stoom gereinigd, dan komt IP66 of IP67 in beeld. Belangrijker dan het getal is dat de armatuur expliciet is vrijgegeven voor het temperatuurbereik waarin hij hangt, want een hoge IP-klasse zegt niets over koudebestendigheid.
Plaats ze buiten de directe luchtstroom van de verdampers en op een hoogte waar de rijpvorming het geringst is, en kies voor verlichte in plaats van alleen verwijzende bordjes. Neem het schoonmaken van de pictogrammen bovendien expliciet op in het reinigingsschema van de cel, zodat het niet afhangt van wie het toevallig opmerkt.
Gedeeltelijk. Een zelftest controleert of de lamp brandt en of de accu een testcyclus haalt, en dat is nuttig. Wat een zelftest niet ziet, is of de accu bij de werkelijke celtemperatuur op dat moment nog voldoende capaciteit heeft, zeker als de test op een gunstig moment valt. Beschouw de zelftest als aanvulling op de periodieke keuring en niet als vervanging ervan.
Dezelfde minimale brandduur als elders in het gebouw, in Nederland doorgaans één uur op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het verschil is dat u die duur moet aantonen onder de werkelijke omstandigheden. Een accu die bij kamertemperatuur een uur haalt, haalt dat bij min 25 graden niet vanzelfsprekend.
Ja, en bij voorkeur met de celtemperatuur erbij vermeld bij de jaarlijkse functietest. Dat lijkt overbodig maar is precies het bewijs dat u nodig hebt: het toont aan dat de installatie is getoetst onder de omstandigheden waarin zij moet werken, en niet alleen in een verwarmde hal.