AED, noodverlichting en EHBO op orde? Plan een compliance scan voor uw magazijn. AED en noodverlichting op orde? · Keuring, register en jaarlijkse update in één bundel Hoe het werkt →

Centrale batterij of decentrale noodverlichting: wat past bij uw magazijn

Geschreven door Envora Laatst bijgewerkt op 28 augustus 2026 · Leestijd 9 minuten
Relevant voor

Noodverlichting werkt op twee manieren: elk armatuur heeft een eigen accu (decentraal), of alle armaturen worden gevoed vanuit één accubatterij in een aparte ruimte (centraal). Decentraal is goedkoper in aanschaf en gangbaar in kleinere panden. Centraal is duurder, maar levert één beheerpunt, langere levensduur en betrouwbaarder testrapportage. In grote magazijnen met honderden armaturen wint centraal het bijna altijd op beheerlast.

Envora — magazijn-compliance in beeld

In het kort

Het verschil in één alinea

Noodverlichting heeft altijd een eigen energiebron nodig, want de netspanning is nu juist weggevallen. De vraag is alleen waar die energiebron staat.

Bij een decentraal systeem zit in elk armatuur een kleine accu. Bij een centraal systeem staat één accubatterij in een aparte ruimte en worden alle noodarmaturen daaruit gevoed via een eigen leidingnet.

Het licht doet in beide gevallen hetzelfde. Het verschil zit in wat u er de komende vijftien jaar aan beheer aan kwijt bent.

Monteur werkt aan noodverlichtingsarmaturen op hoogte in een distributiecentrum

Decentrale noodverlichting

Dit is de meest voorkomende uitvoering in Nederland. Elk armatuur is autonoom: eigen accu, eigen laadelektronica, eigen storingsmelding.

Het voordeel is simpel. De aanschaf is laag, de installatie vraagt geen apart leidingnet en uitval van één armatuur raakt de rest niet.

Het nadeel wordt pas zichtbaar bij aantallen. Honderd armaturen betekent honderd accu's die elk hun eigen einde-levensduur hebben, doorgaans na vier tot vijf jaar.

Autotest en adresseerbaar

Moderne decentrale armaturen hebben vrijwel altijd een zelftestfunctie. Die test zichzelf maandelijks kort en jaarlijks op volledige duur, en signaleert met een ledje.

Dat helpt, maar het verplaatst het probleem: iemand moet nog steeds langs alle armaturen lopen om die ledjes te lezen. Meer daarover in ons artikel over de zelftestfunctie.

Adresseerbare decentrale systemen lossen dat op door de armaturen op een bus aan te sluiten die naar één paneel rapporteert. Functioneel benadert dat het beheergemak van centraal, zonder centrale batterij.

Centrale batterijsystemen

Bij een centraal systeem, in de norm een centraal voedingssysteem genoemd, staat één accubatterij met laad- en bewakingsapparatuur in een eigen ruimte.

Alle noodarmaturen hangen aan dat systeem via een leidingnet dat brandwerend moet zijn uitgevoerd, omdat het bij brand nog moet functioneren.

De bewaking rapporteert per groep of, bij adresseerbare uitvoering, per armatuur. Storingen komen binnen op één paneel of in een beheersysteem, niet op een ledje op tien meter hoogte.

Er is één inherent nadeel: het systeem is een enkelvoudig punt van uitval. Daarom stelt de norm eisen aan bewaking, redundantie en aan de bereikbaarheid van de installatie.

Welke normen waar gelden

NEN-EN 1838 beschrijft wat de verlichting moet presteren: minimaal 1 lux op de as van de vluchtroute, 0,5 lux in open ruimtes en 15 lux bij risicovolle werkplekken. Die eisen gelden ongeacht het systeemtype.

NEN-EN 50171 stelt de eisen aan het centrale voedingssysteem zelf: de accu, de lader, de bewaking en het gedrag bij storing. Deze norm komt alleen in beeld bij een centrale opstelling.

NEN 1010 regelt de elektrische installatie, met deel 5-56 voor voorzieningen voor veiligheidsdoeleinden. Daar staan de eisen aan de leidingen, de scheiding en de selectiviteit.

NEN-EN 50172 tenslotte gaat over de bedrijfsvoering: de testfrequenties en het logboek. Een compact overzicht van dat normenstelsel staat in ons artikel over NEN-normen voor noodverlichting.

In praktijk

Een logistiek dienstverlener met 280 armaturen liet de jaarlijkse duurtest uitvoeren door een externe partij. Twee monteurs met een hoogwerker waren daar vier dagen mee bezig, elk jaar opnieuw. Na de overstap naar een centraal systeem met adresseerbare bewaking duurt dezelfde test één nacht, automatisch, en rolt het rapport er 's ochtends uit. De terugverdientijd zat volledig in de arbeidsuren, niet in de energie.

Eisen aan de batterijruimte

Een centrale batterij vraagt om een eigen ruimte, en die ruimte heeft eisen die makkelijk over het hoofd worden gezien bij de offertevergelijking.

Ventilatie is de eerste. Loodaccu's kunnen bij laden waterstof afgeven, en waterstof is in een gesloten ruimte explosief. De benodigde luchtverversing volgt uit de capaciteit en het accutype.

Temperatuur is de tweede. De meeste fabrikanten specificeren rond de 20 graden. Onder een magazijndak wordt het in de zomer veel warmer, en dat halveert de levensduur. In een vriescel speelt het omgekeerde probleem: de accu gaat lang mee maar levert bij lage temperatuur te weinig capaciteit.

Brandwerende scheiding is de derde. Het systeem moet blijven werken tijdens een brand elders in het pand, wat samenhangt met uw brandcompartimentering.

Kiest u voor een lithium-uitvoering, dan komen aanvullende eisen in beeld vanuit PGS 37-2, afhankelijk van capaciteit en opstelling.

Centraal voedingssysteem met accubatterij en bewakingspaneel in een technische ruimte

Onderhoud en levensduur

Decentrale accu's gaan doorgaans vier tot vijf jaar mee. Ze zitten in het armatuur, vlak naast de warmte van de voeding en vaak hoog onder het dak.

Centrale batterijen halen bij goed beheer tien jaar of meer, juist omdat ze in een geconditioneerde ruimte staan en individueel bewaakt worden.

Reken bij decentraal daarom niet alleen met de prijs van de accu, maar met de arbeidsuren en het hoogwerkgebruik dat bij elke wissel hoort. Bij twaalf meter plafondhoogte is dat de dominante kostenpost.

Wat er verder bij regulier onderhoud komt kijken, leest u in ons artikel over onderhoud van noodverlichting.

Testen en logboek

De testverplichting verandert niet met het systeemtype. Maandelijks een korte functietest, jaarlijks een test op de volledige brandduur van doorgaans 60 minuten.

Wat wél verandert, is hoe u dat aantoont. Bij decentraal zonder bewaking is dat een lijst met armatuurnummers die iemand handmatig heeft afgevinkt.

Bij een centraal of adresseerbaar systeem rolt er een rapport uit met datum, tijd, per armatuur het resultaat en de gemeten duur. Dat verschil merkt u pas bij een inspectie.

Bewaar de rapportage in uw logboek noodverlichting en houd afgekeurde armaturen zichtbaar in de herstelcyclus, niet alleen in de constatering.

Wat dit betekent in een magazijn

Magazijnen hebben drie eigenschappen die de keuze anders maken dan in een kantoor: hoogte, oppervlakte en veranderlijkheid.

Hoogte maakt elke fysieke handeling duur. Wat in een kantoor een trapje is, is in een magazijn een hoogwerker met een verkeersplan en een werkvergunning.

Oppervlakte maakt aantallen groot. Een gemiddeld distributiecentrum zit al snel op enkele honderden armaturen, inclusief de vluchtrouteaanduiding.

Veranderlijkheid maakt het bewegend doel. Stellingen worden verplaatst, gangen verlegd, en dan klopt de lichtberekening niet meer. Dat pleit voor een systeem dat u makkelijk kunt uitbreiden en herconfigureren.

Wanneer kantelt de keuze?

Er is geen norm die een grens noemt. In de praktijk kantelt de rekensom ergens tussen de honderd en tweehonderd armaturen.

Kies decentraal bij een klein pand, lage plafonds, weinig armaturen en een stabiele indeling. Het is eenvoudiger, goedkoper en er valt weinig te beheren.

Kies centraal bij grote oppervlaktes, hoge plafonds, veel armaturen, wisselende indelingen of als u meerdere locaties centraal wilt monitoren.

Twijfelt u, kijk dan niet naar de investering maar naar de vraag hoeveel uur uw organisatie het afgelopen jaar aan noodverlichting kwijt was. Dat cijfer beslist meestal.

Overstappen van decentraal naar centraal

Overstappen is zelden een kwestie van armaturen omwisselen. Het vraagt een nieuw voedingsnet in brandwerende uitvoering, en dat is het grootste deel van het werk.

Plan de overstap daarom bij een natuurlijk moment: een uitbreiding, een dakrenovatie, een herindeling van de stellingen of een NEN 1010-inspectie die toch al gepland stond.

Een gefaseerde aanpak mag. Een deel van het pand centraal, de rest voorlopig decentraal, is technisch geen probleem.

De valkuil bij faseren is administratief. Zorg dat beide delen in hetzelfde logboek en hetzelfde onderhoudscontract zitten, anders valt het decentrale deel na twee jaar stilletjes buiten de cyclus.

Kosten over de looptijd

Een centraal systeem is in aanschaf duidelijk duurder, vooral door het aparte brandwerende leidingnet en de batterijruimte.

Over vijftien jaar draait het beeld meestal om, en dat komt zelden door energie. Het komt door arbeidsuren: accuwissels, handmatige duurtesten en het achteraf reconstrueren van rapportages.

Reken beide varianten daarom door over de volledige levensduur en neem daar drie posten in mee die vaak ontbreken: hoogwerkinzet, uren van eigen personeel en de kosten van herstelwerk na een afgekeurde inspectie.

Concrete bandbreedtes voor de reguliere posten staan in ons artikel over kosten van noodverlichting.

Vijf fouten die u vaak ziet

De eerste is een centrale batterij in een ongeventileerde bezemkast. Technisch werkt het, tot het niet meer werkt.

De tweede is de batterijruimte onder het dak plaatsen omdat daar toevallig plek was. De temperatuur daar halveert de levensduur van de investering.

De derde is aannemen dat een zelftestfunctie de logboekplicht vervangt. De test is de meting, het logboek is het bewijs.

De vierde is bij uitbreiding armaturen bijhangen zonder de lichtberekening te herzien. De vijfde is een gemengd pand waar het oude decentrale deel jarenlang buiten het onderhoudscontract valt.

In vier stappen geregeld

Begin met tellen. Hoeveel noodarmaturen hangen er, op welke hoogte, en hoeveel uur was uw organisatie er het afgelopen jaar aan kwijt.

Leg daarnaast de actuele lichtberekening naast de huidige indeling van het pand. In een magazijn dat is verbouwd, klopt die vrijwel nooit meer.

Vraag vervolgens twee offertes op basis van dezelfde uitgangspunten, één decentraal en één centraal, en dwing af dat beide de volledige levensduur doorrekenen inclusief arbeid.

Sluit af met een onderhouds- en testregime dat past bij de gekozen variant, gekoppeld aan uw keuringskalender. De Nederlandse Arbeidsinspectie en uw verzekeraar vragen bij een incident naar hetzelfde: het logboek en de herstelacties, niet naar het merk.

Veelgestelde vragen

Bij decentrale noodverlichting heeft elk armatuur een eigen accu die bij spanningsuitval het armatuur voedt. Bij een centraal systeem staat één accubatterij in een aparte ruimte en worden alle noodarmaturen daaruit gevoed via een eigen, brandwerend uitgevoerd leidingnet. Functioneel is het resultaat gelijk: het licht blijft aan. Het verschil zit in beheer, levensduur, kosten en de installatie-eisen.

NEN-EN 50171 stelt de eisen aan centrale voedingssystemen voor noodverlichting: de accu, de laadinrichting, de bewaking en de schakelapparatuur. Daarnaast blijft NEN-EN 1838 gelden voor de lichtprestatie en NEN 1010 voor de elektrische installatie, met deel 5-56 voor voorzieningen voor veiligheidsdoeleinden. De keuze voor centraal voegt dus een norm toe, hij vervangt er geen.

Afhankelijk van het type doorgaans 10 jaar of meer, tegenover 4 tot 5 jaar voor de losse accu's in decentrale armaturen. Dat verschil komt vooral doordat een centrale batterij in een geconditioneerde ruimte staat en niet vlak naast een warme ledmodule onder een dak. Temperatuur is de belangrijkste factor in accuveroudering; elke 10 graden hoger halveert de levensduur ruwweg.

Ja. De logboekplicht hangt aan de installatie, niet aan het systeemtype. U legt maandelijkse functietests en de jaarlijkse test op volledige brandduur vast, inclusief de armaturen die zijn afgekeurd en de herstelacties. Het voordeel van een centraal systeem met adresseerbare bewaking is dat die rapportage automatisch wordt gegenereerd in plaats van handmatig per armatuur.

De ruimte moet toegankelijk zijn voor onderhoud, voldoende geventileerd zijn omdat loodaccu's waterstof kunnen afgeven, en in de regel brandwerend gescheiden van de rest van het pand. Daarnaast gelden temperatuurgrenzen van de fabrikant, meestal rond de 20 graden. Bij lithium-batterijen komen aanvullende eisen uit PGS 37-1 of PGS 37-2 in beeld, afhankelijk van de opstelling en capaciteit.

Er is geen norm die dit voorschrijft. In de praktijk kantelt de rekensom ergens tussen de 100 en 200 armaturen, omdat vanaf dat aantal het jaarlijks handmatig testen en het vervangen van losse accu's meer kost dan het beheer van één centraal systeem. Bij hoge plafonds telt daarnaast mee dat elke accuwissel een hoogwerker of rolsteiger vraagt.

Ja, en dat gebeurt vaak. Een groot magazijndeel op een centraal systeem en een later aangebouwd kantoordeel op decentrale armaturen is een gangbare situatie. Zorg dan wel dat uw logboek en uw onderhoudscontract beide delen dekken, met per deel de juiste testfrequentie. De meest voorkomende fout bij gemengde panden is dat één deel jarenlang buiten het onderhoudsprogramma valt.

Of de vluchtroutes en risicovolle werkplekken zijn verlicht conform NEN-EN 1838, of de brandduur wordt gehaald, of het logboek actueel is en of afgekeurde armaturen daadwerkelijk zijn hersteld. Bij een centraal systeem wordt daarnaast gekeken naar de staat en de bewaking van de batterijruimte en naar de brandwerende uitvoering van het voedingsnet.

Neem contact op met onze adviseurs

Wilt u weten of Envora past bij uw locaties? Of heeft u een specifieke vraag over slaapruimtemonitoring, het GGD-rapport of de installatie? Wij beantwoorden het binnen één werkdag.

Spaces Vijzelstraat, Amsterdam

Veelgestelde vragen

Envora is een managed service voor luchtkwaliteitmonitoring in de kinderopvang. Wij plaatsen professionele sensoren in elke ruimte, meten continu 6 parameters (CO₂, fijnstof, TVOC, vochtigheid, temperatuur en formaldehyde) en leveren rapportages die voldoen aan de normen van de GGD, het Bouwbesluit en het RIVM. U beheert alles vanuit één centraal platform.

De pilotmeting is een eenmalige meting op 1 locatie. Wij installeren sensoren in de gewenste ruimtes (circa 15 minuten per ruimte, zonder boren), meten de luchtkwaliteit en leveren een rapport met meetresultaten, conclusies en advies. U zit nergens aan vast.

De pilotmeting kost €479 per locatie. Dit is eenmalig en inclusief installatie, meting en rapport met advies. Er is geen abonnement of opzegtermijn aan verbonden.

Ja. Het rapport bevat continue meetdata per ruimte, getoetst aan de normen uit het Bouwbesluit 2012 en de RIVM-richtlijn 2023. GGD-inspecteurs beoordelen op aantoonbare naleving, het Envora-rapport levert exact die onderbouwing, inclusief trendgrafieken en compliance-scores.

Ja. Het Envora-platform is gebouwd voor multi-locatiebeheer. U ziet real-time data van elke ruimte op elke locatie in één dashboard. Bij een normoverschrijding op locatie 4 krijgt u direct een melding, ook als u op locatie 1 zit.

Installatie duurt circa 15 minuten per ruimte. De sensoren worden draadloos gemonteerd zonder boren of kabeltrekken. Een volledige locatie met 5 ruimtes is binnen een ochtend operationeel, zonder hinder voor de dagelijkse opvang.

Met het verzenden van dit bericht gaat u akkoord met onze privacyverklaring.

Contactpersoon Envora