Noodverlichting draait om lux, niet om aanwezigheid
Of noodverlichting werkt, hangt niet alleen af van de vraag of er armaturen hangen, maar vooral van hoeveel lux ze op het juiste moment op de juiste plek geven. Een armatuur die te weinig licht geeft of te laat aangaat, biedt in een noodsituatie schijnveiligheid.
De eisen aan die verlichtingssterkte staan in NEN-EN 1838, de norm voor noodverlichting. Die legt vast hoeveel lux een vluchtroute en een open ruimte minimaal moeten krijgen, hoe snel de verlichting moet reageren en hoe lang ze moet blijven branden.
In dit artikel leest u de concrete lux-eisen uit NEN-EN 1838, het verschil tussen de typen noodverlichting, de eisen aan reactietijd en autonomie, en waar u de armaturen in uw magazijn plaatst.
Wanneer noodverlichting verplicht is
De wettelijke plicht komt uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dat schrijft voor dat er noodverlichting aanwezig is op plaatsen waar het uitvallen van de gewone verlichting een gevaar oplevert voor de veiligheid van werknemers.
In een magazijn is dat al snel het geval. Hoge stellingen, heftruckverkeer, weinig daglicht en lange vluchtroutes maken dat een plotselinge stroomuitval direct onveilig is. De vraag is daarom zelden of noodverlichting nodig is, maar of ze aan de eisen voldoet.
Die eisen zijn uitgewerkt in NEN-EN 1838. De wet stelt de plicht, de norm geeft de meetbare invulling in lux, seconden en uren. Meer over welke normen er precies gelden, leest u in het artikel over noodverlichting en de NEN-normen.
Drie typen noodverlichting
NEN-EN 1838 onderscheidt drie soorten noodverlichting, elk met een eigen doel en een eigen eis. Wie de lux-waarden wil begrijpen, moet eerst dit onderscheid kennen, want de getallen verschillen per type.
Vluchtrouteverlichting verlicht de aangewezen vluchtwegen, zodat mensen de uitgang kunnen vinden en veilig volgen. Anti-paniekverlichting verlicht grote open ruimten zonder vaste route, zodat mensen de vluchtwegen kunnen bereiken zonder in paniek te raken. Verlichting van werkplekken met verhoogd risico stelt mensen in staat een gevaarlijke handeling veilig af te ronden.
Deze drie typen samen vormen wat vaak kortweg noodverlichting heet. Daarnaast zijn er de verlichte vluchtwegaanduidingen, de pictogrammen, waarover u meer leest bij de pictogrammen voor noodverlichting.
1 lux op de vluchtroute
Voor vluchtrouteverlichting geldt de bekendste eis: op de hartlijn van de route moet de noodverlichting minimaal 1 lux geven, gemeten op vloerniveau. Over de centrale band van de route, ongeveer de helft van de breedte, mag de waarde niet onder 0,5 lux zakken.
Deze waarden gelden voor routes tot ongeveer twee meter breed. Bredere routes behandelt u als meerdere naast elkaar liggende stroken of als een open ruimte. Het doel is dat iemand de vloer, de obstakels en de richting van de route kan zien, ook als de gewone verlichting volledig is weggevallen.
Naast de minimumwaarde stelt de norm een eis aan de gelijkmatigheid. De verhouding tussen de hoogste en de laagste sterkte op de hartlijn mag niet groter zijn dan 40 op 1. Zo voorkomt u felle plekken naast donkere gaten, die het zicht juist verstoren.
0,5 lux in open ruimten
In grote open ruimten zonder aangewezen vluchtroute geldt de anti-paniekeis. Daar moet de noodverlichting minimaal 0,5 lux geven op de vrije vloer, gemeten buiten een randstrook van een halve meter langs de wanden.
Het doel is anders dan bij een vluchtroute. Anti-paniekverlichting hoeft geen exacte route te tonen, maar moet genoeg licht geven om mensen rustig te houden en hen in staat te stellen de vluchtwegen te vinden. Grote, donkere magazijnhallen zijn typisch de plek waar deze eis speelt.
Ook hier geldt een gelijkmatigheidseis, zodat het licht niet in een paar heldere plekken concentreert. De combinatie van een minimumwaarde en een maximale ongelijkmatigheid zorgt voor bruikbaar licht over de hele ruimte.
Werkplekken met verhoogd risico
Sommige plekken vragen meer. Op een werkplek met verhoogd risico levert een plotselinge stroomuitval direct gevaar op, bijvoorbeeld bij een machine die niet abrupt mag stoppen of een handeling die veilig moet worden afgerond.
Daar stelt de norm een zwaardere eis: de noodverlichting moet minimaal 10 procent van de normale, onderhouden verlichtingssterkte voor die taak geven, en in geen geval minder dan 15 lux. Bovendien moet dat licht vrijwel onmiddellijk beschikbaar zijn, niet pas na tientallen seconden.
Welke plekken dit betreft, volgt uit uw risico-inventarisatie. Die beoordeelt waar een stroomuitval direct gevaar oplevert en dus waar de zwaardere eis van toepassing is.
Reactietijd en brandduur
Licht dat te laat komt, helpt niemand. NEN-EN 1838 vraagt daarom dat de noodverlichting binnen 5 seconden de helft van de vereiste verlichtingssterkte levert en binnen 60 seconden de volledige sterkte. Voor werkplekken met verhoogd risico moet de volledige sterkte vrijwel onmiddellijk beschikbaar zijn.
De tweede tijdseis is de autonomie: hoe lang de noodverlichting op de eigen energievoorziening blijft branden. De norm hanteert een minimum van 1 uur. Waar de ontruiming langer duurt of mensen pas later kunnen terugkeren, is een langere autonomie nodig.
Deze autonomie is een van de dingen die bij de periodieke controle wordt getest. Meer over hoe lang noodverlichting moet branden en hoe u dat borgt, leest u in het artikel over de brandduur van noodverlichting.
Waar de armaturen komen
De juiste lux-waarde bereikt u alleen als de armaturen op de goede plekken hangen. NEN-EN 1838 wijst een aantal punten van aandacht aan waar in elk geval noodverlichting nodig is, ongeacht de berekening.
Dat zijn onder meer elke uitgang, elke trap zodat de treden worden verlicht, elke richtingsverandering en kruising van vluchtroutes, de directe omgeving buiten elke einduitgang en elk hoogteverschil in de vloer. Ook bij brandbestrijdingsmiddelen, handbrandmelders en EHBO-posten hoort noodverlichting, zodat die in het donker vindbaar blijven.
Rond die vaste punten vult u aan tot de vereiste lux over de hele route en ruimte wordt gehaald. Zo sluit de plaatsing aan op de vluchtwegen in het magazijn en op de indeling van de hal.
Verlichte vluchtwegaanduiding en kijkafstand
Naast de verlichting van de route zelf horen de vluchtwegen te worden aangeduid met verlichte pictogrammen. NEN-EN 1838 koppelt aan die borden een maximale kijkafstand, zodat ze vanaf voldoende afstand herkenbaar zijn.
De vuistregel is dat de kijkafstand gelijk is aan de hoogte van het pictogram maal een factor honderd voor inwendig verlichte borden en maal tweehonderd voor uitwendig verlichte borden. Een pictogram van twintig centimeter hoog is inwendig verlicht dus tot twintig meter herkenbaar. Uit die eis volgt hoe groot de borden moeten zijn en hoe dicht ze op elkaar hangen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie betrekt de zichtbaarheid van vluchtwegaanduiding bij controles op vluchtwegen. Een route die technisch genoeg lux krijgt maar waarvan de bordjes niet leesbaar zijn, voldoet in de praktijk niet.
Meten en aantonen
Papier alleen volstaat niet. Of de installatie de vereiste lux haalt, blijkt uit een meting op vloerniveau, waarbij u rekening houdt met veroudering en vervuiling van de armaturen. U beoordeelt de onderhouden waarde, niet de sterkte van een nieuwe installatie.
Die meting hoort bij de periodieke keuring van de noodverlichting, samen met de test van de reactietijd en de autonomie. De resultaten legt u vast, zodat aantoonbaar is dat de installatie aan de eisen voldoet.
Zonder vastgelegde metingen is er geen bewijs dat de noodverlichting doet wat ze moet doen. Bij een controle of na een incident is juist dat dossier het verschil tussen aantoonbaar in orde en aannemen dat het wel goed zit.
Zo helpt Envora hierbij
Noodverlichting op orde houden is een kwestie van de juiste lux, tijdige tests en aantoonbare vastlegging. Envora brengt die keten samen op één plek, zodat de keuringsresultaten, de gemeten waarden en de vervangingen bij elkaar staan in plaats van verspreid over losse rapporten.
In het portaal ziet u wanneer de volgende test van de noodverlichting nodig is, wat de vorige meting opleverde en welke armaturen aandacht vragen. Een naderende keuring valt op voordat de termijn verloopt, zodat de installatie aantoonbaar aan NEN-EN 1838 blijft voldoen.
Daarmee staat het dossier van de noodverlichting inspectie-proof klaar naast de andere verplichte keuringen in uw magazijn, van AED en brandblussers tot de elektrische installatie.
Veelgestelde vragen
Op de hartlijn van een vluchtroute moet de noodverlichting volgens NEN-EN 1838 minimaal 1 lux geven, gemeten op vloerniveau. Over de centrale band van de route, ongeveer de helft van de breedte, geldt minimaal 0,5 lux. Deze waarden zijn de ondergrens die iemand in staat stelt de route veilig te vinden en te volgen als de gewone verlichting uitvalt.
Vluchtrouteverlichting verlicht de aangewezen vluchtwegen, zodat mensen de uitgang kunnen vinden en volgen. De eis daar is minimaal 1 lux op de hartlijn. Anti-paniekverlichting verlicht grote open ruimten waar geen vaste route ligt, zodat mensen de vluchtwegen kunnen bereiken zonder in paniek te raken. Daar geldt minimaal 0,5 lux op de vrije vloer.
NEN-EN 1838 vraagt dat de noodverlichting binnen 5 seconden de helft van de vereiste verlichtingssterkte levert en binnen 60 seconden de volledige sterkte. Voor werkplekken met verhoogd risico geldt een strengere eis: daar moet de volledige sterkte vrijwel onmiddellijk beschikbaar zijn. De reactietijd is dus geen detail maar een harde prestatie-eis.
De autonomie, de tijd dat de noodverlichting op de eigen energievoorziening blijft branden, is volgens de norm minimaal 1 uur. In gebouwen waar de ontruiming langer duurt of waar mensen pas later terug kunnen keren, kan een langere autonomie nodig zijn. Meer over dit onderwerp leest u in het artikel over de brandduur van noodverlichting.
Op werkplekken met een verhoogd risico, waar een plotselinge stroomuitval direct gevaar oplevert, geldt een zwaardere eis. De noodverlichting moet daar minimaal 10 procent van de normale, onderhouden verlichtingssterkte voor die taak leveren, en in geen geval minder dan 15 lux. Zo kan iemand een gevaarlijke handeling veilig afronden of stilleggen.
U plaatst armaturen op de plekken die de norm punten van aandacht noemt: bij elke uitgang, bij trappen zodat elke trede wordt verlicht, bij elke richtingsverandering en kruising van vluchtroutes, buiten elke einduitgang en bij hoogteverschillen. Ook bij brandbestrijdingsmiddelen, alarmknoppen en EHBO-posten hoort noodverlichting. Zo blijft de hele vluchtweg herkenbaar en veilig.
De verlichtingssterkte voor noodverlichting wordt gemeten op vloerniveau. Dat is logisch, want in een noodsituatie moeten mensen de vloer, de obstakels en de route kunnen zien. Bij de meting houdt u rekening met veroudering van de armaturen en met vervuiling, zodat u de onderhouden waarde beoordeelt en niet de waarde van een gloednieuwe installatie.
De norm zelf is geen wet, maar geeft de erkende invulling van de wettelijke plicht. Het Arbobesluit verplicht noodverlichting waar het uitvallen van de kunstverlichting gevaar oplevert. NEN-EN 1838 vertaalt die plicht naar concrete eisen aan lux, reactietijd en autonomie. Wie de norm volgt, maakt aannemelijk dat hij aan de wettelijke verplichting voldoet.