Waar de eisen staan
Sanitaire voorzieningen horen tot de categorie onderwerpen waar niemand over nadenkt tot er een klacht komt, een inspecteur langsloopt of een medewerkersonderzoek een onverwacht lage score laat zien.
De eisen staan bij elkaar in het Arbeidsomstandighedenbesluit, hoofdstuk 3, in de artikelen 3.20 tot en met 3.24. Vier korte artikelen die samen de pauzeruimte, de kleedruimte, de wasgelegenheid en het toilet regelen.
Wat opvalt bij lezing is vooral wat er niet staat. Geen aantallen, geen vierkante meters, geen loopafstanden, geen verhoudingen per medewerker. De wet werkt met open normen: voldoende, in de nabijheid, daartoe geschikt, doelmatig.
Dat maakt dit onderwerp lastiger dan het lijkt. U kunt geen lijstje afvinken; u moet uitleggen waarom uw invulling voldoende is. En die uitleg hoort thuis in uw risico-inventarisatie en evaluatie.
Toiletten en wastafels
Artikel 3.24 is drie zinnen lang en regelt alles. De letterlijke tekst staat op wetten.overheid.nl, met een toelichting van het ministerie op Arboportaal. In een bedrijf of inrichting zijn in de nabijheid van de ruimten waar de werknemers hun werkzaamheden verrichten een voldoende aantal toiletten aanwezig. In of in de onmiddellijke nabijheid daarvan zijn voldoende wastafels. En de toiletten of het gebruik daarvan zijn naar seksen gescheiden.
Twee woorden dragen het hele artikel: voldoende en in de nabijheid. Dat eerste gaat over capaciteit, het tweede over afstand, en in een magazijn van tienduizend vierkante meter is dat tweede vaak het echte knelpunt.
Nabijheid wordt in de praktijk beoordeeld op looptijd en niet op meters. Een orderpicker die achterin de hal werkt en zeven minuten enkele reis kwijt is aan een toiletbezoek, komt op een gemiddelde dag op een kwartier looptijd. Dat is geen theoretisch probleem; het leidt tot uitstelgedrag met gezondheidsklachten tot gevolg.
Let ook op het derde lid. Er staat nadrukkelijk de toiletten of het gebruik van de toiletten. Afsluitbare individuele toiletruimten met een gedeelde wasruimte voldoen daarmee ook, wat bij een verbouwing scheelt in ruimtebeslag.
De mythes rond aantallen
Zoek op de eis voor toiletten in Nederland en u vindt binnen twee klikken de regel: één toilet per vijftien medewerkers. Adviesbureaus noemen het, verhuurmakelaars zetten het in hun specificaties en sanitairleveranciers rekenen er offertes mee uit.
Die verhouding is echte wetgeving, alleen niet in Nederland. Ze staat in de Belgische Codex over het welzijn op het werk, die ten minste één wc per vijftien gelijktijdig tewerkgestelde mannelijke werknemers voorschrijft en één per vijftien vrouwelijke.
Dat maakt het getal niet waardeloos. Als startpunt voor uw eigen onderbouwing is het prima bruikbaar, en het is verdedigbaarder dan een willekeurige aanname. Het wordt alleen een probleem zodra u het presenteert als de norm waaraan u wettelijk voldoet, want dan verwijst u naar een artikel dat er niet is.
Dezelfde nuance geldt voor het Besluit bouwwerken leefomgeving. De maten die daar rondzingen, een toiletruimte van minimaal 0,9 bij 1,2 meter bij nieuwbouw, gelden voor de woonfunctie en niet voor het personeelstoilet in een distributiecentrum. Ze worden in de praktijk wel als ontwerpnorm gebruikt, en dat is een prima keuze, maar het is een keuze en geen verplichting.
Een distributiecentrum breidde uit van 4.000 naar 11.000 vierkante meter en verdubbelde het aantal toiletten netjes mee. De klachten namen toe in plaats van af. De oorzaak zat niet in het aantal maar in de plaats: alle voorzieningen zaten bij het kantoorgedeelte, terwijl de nieuwe pickzones aan de andere kant van de hal lagen. Twee extra units bij de expeditie loste op wat verdubbeling niet had opgelost. Voldoende en in de nabijheid zijn twee verschillende eisen, en de tweede wordt bij uitbreiding het vaakst vergeten.
Wanneer een kleedruimte verplicht is
Artikel 3.22 maakt onderscheid tussen twee situaties, en dat onderscheid bepaalt of u een garderobe nodig hebt of een volwaardige kleedruimte.
Het eerste lid geldt altijd: iedere werknemer beschikt over een plaats om zijn kleding op te hangen. Dat is een lage drempel en daar voldoet vrijwel elk bedrijf aan.
Het tweede lid treedt in werking zodra werknemers speciale werkkleding moeten dragen. Dan zijn doelmatige, voldoende ruime, van stoelen of banken voorziene en naar seksen gescheiden kleedruimten verplicht, zoveel mogelijk in de nabijheid van de werkruimten. Natte werkkleding moet zo nodig kunnen drogen.
De vraag is dus wat speciale werkkleding is. Een bedrijfspolo is dat doorgaans niet. Koel- en vrieskleding, hygienekleding in food, en signaalkleding die zichtbaar vervuilt zijn dat wel, omdat de medewerker zich daadwerkelijk moet omkleden en die kleding niet mee naar huis neemt.
Het derde lid eist dat kleding die tijdens het werk niet wordt gedragen op doelmatige wijze en afgesloten kan worden bewaard. Let op de formulering: dat is niet hetzelfde als een persoonlijk kastje voor iedereen. Een afsluitbare gemeenschappelijke voorziening kan voldoen, zolang persoonlijke eigendommen veilig zijn.
Het vierde lid komt erbij als de omstandigheden dat vereisen: dan moeten speciale werkkleding en persoonlijke kleding gescheiden van elkaar kunnen worden bewaard. In food en bij werken met stoffen die aan kleding hechten is dat geen luxe maar de kern van de maatregel.
Wasgelegenheid en douches
Artikel 3.23 kent twee drempels en die worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald.
De eerste drempel: staan werknemers bloot aan vuil of stof, dan is een wasruimte verplicht met voldoende wasbakken, functioneel geplaatst, naar seksen gescheiden, met koud en zo nodig warm stromend water.
De tweede drempel ligt hoger. Is de vervuiling, het stof of de hoge temperatuur zodanig dat reiniging nodig is die meer omvat dan handen en gezicht, dan komt daar een doucheruimte bij. Een schoon, droog magazijn met palletgoederen valt daar meestal buiten.
Er staat één concrete eis in dit artikel die regelmatig wordt overtreden. Liggen de was- of doucheruimten niet in dezelfde ruimte als de kleedruimte, dan moeten ze onderling gemakkelijk en binnendoor bereikbaar zijn. Losstaande sanitaire units op het terrein voldoen daar per definitie niet aan.
De pauzeruimte
Artikel 3.20 is één volzin en het is het strengste artikel van de vier, ook al leest het als het mildste.
Er moet in het bedrijf of in de directe nabijheid daarvan een gemakkelijk toegankelijke ruimte beschikbaar zijn waar werknemers de pauzes kunnen doorbrengen. Die ruimte is daartoe geschikt, en afhankelijk van het aantal werknemers voldoende ruim bemeten en uitgerust met voldoende tafels en stoelen.
Wat dit artikel bijzonder maakt, is dat het onvoorwaardelijk is. De Europese richtlijn waarop het is gebaseerd, kent een drempel: een ontspanningsruimte is alleen verplicht wanneer de veiligheid of gezondheid dat vereist, met een uitzondering voor kantoorpersoneel. Nederland heeft die voorwaarden niet overgenomen. Er is dus geen ondergrens van vijftig werknemers en geen uitzondering voor kleine bedrijven.
Wat de wet niet regelt, is de inrichting. Koelkast, magnetron, koffieautomaat en aantal vierkante meters per persoon zijn geen wettelijke eisen. Wat wel telt is het woord geschikt: pauzeren aan de inpaktafel, in de expeditie of op een pallet voldoet niet, ook niet als er stoelen staan.
Pauzerecht en rookverbod
De pauzeruimte hangt samen met twee andere regimes die vaak los worden behandeld en die in de praktijk aan elkaar vastzitten.
Het pauzerecht staat in artikel 5:4 van de Arbeidstijdenwet. Bij een dienst van meer dan 5,5 uur is dat ten minste dertig minuten, splitsbaar in blokken van minimaal een kwartier. Boven de tien uur wordt het 45 minuten. Bij cao mag daarvan worden afgeweken tot minimaal een kwartier bij meer dan 5,5 uur; verdergaande afwijkingen zijn nietig. Voor jeugdigen geldt dertig minuten al vanaf 4,5 uur. Meer daarover in ons artikel over de Arbeidstijdenwet in het magazijn.
Het rookverbod komt uit de Tabaks- en rookwarenwet en legt de werkgever drie zelfstandige verplichtingen op: instellen, aanduiden en handhaven. Dat laatste is geen bijzin. Een verbod dat op papier staat maar waar niemand op aanspreekt, voldoet niet.
Sinds 1 januari 2022 zijn rookruimtes op de werkvloer bovendien verboden. De uitzondering voor afsluitbare rookruimten is geschrapt, ook als die goed geventileerd zijn. Een overdekte voorziening buiten op het terrein mag wel. Het toezicht hierop ligt bij de NVWA en niet bij de Arbeidsinspectie, wat verklaart waarom dit bij een arbo-inspectie soms buiten beeld blijft. Zie ook ons artikel over het rookverbod in het magazijn.
Drinkwater: wat er wel en niet staat
Hier zit een fout die in vrijwel elk overzichtsartikel terugkomt, en het is een fout die u kunt gebruiken om uw eigen dossier scherper te maken.
Het Arbobesluit kent geen algemene drinkwaterverplichting voor gewone arbeidsplaatsen. Het woord drinkwater komt in hoofdstuk 3 op precies één plek voor, in artikel 3.27, en dat artikel geldt uitsluitend voor bouwplaatsen.
Dat betekent niet dat u niets hoeft te regelen. De verplichting loopt alleen langs een andere lijn: de zorgplicht uit artikel 3 van de Arbowet, en bij warmte via artikel 6.1 van het Arbobesluit, dat eist dat de temperatuur geen schade aan de gezondheid veroorzaakt, mede gelet op de fysieke belasting van het werk.
In een ongekoeld magazijn tijdens een hittegolf is drinkwater aanbieden daarmee wel degelijk afdwingbaar, alleen niet als los genummerd voorschrift. Wie dit onderbouwt vanuit de temperatuureisen en de fysieke belasting staat sterker dan wie naar een niet-bestaand artikel wijst.
Temperatuur, licht en lucht
De ruimten uit dit artikel zijn arbeidsplaatsen en vallen dus ook onder de algemene eisen uit hoofdstuk 6 van het Arbobesluit.
Artikel 6.1 stelt dat de temperatuur geen schade aan de gezondheid veroorzaakt, rekening houdend met de aard van het werk. Er staan geen graden in de wet. De veelgenoemde grenzen van 18 en 25 graden zijn richtwaarden uit arbocatalogi en uit klimaatnormen, geen wettelijke drempels.
Artikel 6.2 eist voldoende niet verontreinigde lucht, bedrijfsklare installaties, geen hinderlijke tocht en een storingssignalering. Voor gebouwen die onder het Besluit bouwwerken leefomgeving vallen, verschuift dit eerste lid naar de bouwvoorschriften voor de betreffende gebruiksfunctie. Wat dat praktisch betekent, staat in ons artikel over ventilatie in het magazijn.
Artikel 6.3 vraagt om voldoende daglicht voor zover mogelijk, aangevuld met kunstverlichting die geen risico oplevert en die de veiligheidssignalering niet verstoort. Ook hier: geen luxwaarden in de wet, die komen uit de verlichtingsnorm. Zie ons artikel over verlichting in het magazijn.
Er is nog een koppeling die weinig mensen kennen. Artikel 3.1b bepaalt dat een arbeidsplaats in een gebouw alleen mag worden gebruikt als dat gebouw voldoet aan de bouwvoorschriften voor de van toepassing zijnde gebruiksfunctie. Niet voldoen aan het bouwbesluit is daarmee tegelijk een arbo-overtreding.
Uitzendkrachten zijn uw werknemers
In distributiecentra werkt vaak een groot deel van de bezetting via een uitzendbureau, en dat leidt tot een misverstand dat bij inspecties direct opvalt.
De Arbowet definieert de werkgever zo dat degene aan wie een werknemer ter beschikking wordt gesteld, de werkgever is in de zin van die wet. Voor de arbo-verplichtingen bent u dus de werkgever van de uitzendkracht, niet het bureau.
De artikelen over toiletten, kleedruimten en pauzeruimte gelden daarmee onverkort. Een aparte, mindere voorziening voor flexkrachten is geen keuze maar een overtreding, en het is bovendien precies het type verschil dat medewerkers zelf melden.
Daar komen twee verplichtingen bij. U verstrekt tijdig voor aanvang het relevante deel van uw risico-inventarisatie aan de partij die de werknemer ter beschikking stelt. En werken meerdere werkgevers in uw pand, dan werkt u onderling op doelmatige wijze samen om naleving te verzekeren. Meer hierover in ons artikel over de RI&E en uitzendkrachten en over onderaannemers op locatie.
De chauffeur bij de laadkade
Dit is de vraag die in elke discussie over sanitair op enig moment opduikt, en het eerlijke antwoord is ongemakkelijk.
Er bestaat in 2026 geen Nederlands of Europees wetsartikel dat een magazijn verplicht om bezoekende vrachtwagenchauffeurs toegang te geven tot het personeelstoilet. Artikel 3.24 richt zich tot de werkgever en spreekt over de werknemers, en de chauffeur is in beginsel werknemer van de vervoerder.
Er zijn wel haakjes. De Arbowet rekent ook degene die zonder werkgever te zijn een ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten tot de werkgever. Laat u de chauffeur onder uw aanwijzingen lossen, dan is er een reeel gezagsargument. En artikel 19 vraagt samenwerking als meerdere werkgevers gelijktijdig op één locatie arbeid laten verrichten.
Het Europese recht regelt de andere kant: de wekelijkse rusttijd mag niet in het voertuig worden doorgebracht en moet plaatsvinden in accommodatie met adequate sanitaire voorzieningen, op kosten van de vervoerder. Dat raakt de werkgever van de chauffeur, niet de ontvanger van de lading.
Praktisch blijft het dus een lacune die u met contract en ketenafspraak vult en niet met een artikelnummer. Gegeven dat de meeste dc's chauffeurs wel al veiligheidsinstructies en een wachtruimte geven, is dit vaker een kwestie van beleid maken dan van iets nieuws bouwen. Zie ook ons artikel over bezoekers en chauffeurs in uw BHV-organisatie.
Handhaving en aanpak
De boetesystematiek is hier mild, en dat verklaart waarom dit onderwerp zelden bovenaan een verbeterplan staat.
De artikelen 3.20 tot en met 3.25 vallen alle in de tweede boetecategorie, met een normbedrag van 750 euro, en zijn getypeerd als overige overtreding volgens de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving. Dat betekent dat de inspecteur eerst een waarschuwing geeft of een eis tot naleving stelt; pas als dezelfde overtreding opnieuw wordt geconstateerd volgt een boete. Hetzelfde geldt voor de klimaatartikelen 6.1 tot en met 6.4.
Het normbedrag geldt bij vijfhonderd werknemers of meer en wordt naar rato verlaagd: zestig procent bij honderd tot 250 werknemers, vijftig procent bij veertig tot honderd. Let op één detail dat bij ketens verrassend uitpakt: voor filialen telt het aantal werknemers van de gehele juridische eenheid en niet van de vestiging. Meer over die systematiek staat in ons artikel over boetes van de Arbeidsinspectie.
Er is één uitzondering op de waarschuwingsroute. Was de overtreding de directe aanleiding voor een arbeidsongeval, dan volgt wel meteen een boete.
Voor de praktijk is de handhavingsdruk niet het beste argument. Distributiecentra zijn een sector waar bij inspecties in het verleden bij ruim acht op de tien bezochte locaties een of meer overtredingen werden vastgesteld, en uitzendwerk en goed werkgeverschap in de logistieke keten staan ook in 2026 op de agenda van de Arbeidsinspectie. Zie ons artikel over de controle door de Arbeidsinspectie.
Wie dit wil opruimen, komt met vier stappen ver. Loop de vier artikelen langs voor uw eigen pand en noteer per artikel wat u hebt. Meet vervolgens de werkelijke loopafstanden vanaf de verst gelegen werkplek, want daar zit doorgaans het knelpunt. Onderbouw daarna in uw risico-inventarisatie waarom uw aantallen voldoende zijn, met het aantal gelijktijdig aanwezige medewerkers en de piekmomenten als basis. En controleer tot slot of wat u voor eigen personeel hebt geregeld ook geldt voor uitzendkrachten, want dat is het punt waarop dit dossier het vaakst alsnog omvalt.
Dit artikel beschrijft het wettelijk kader in algemene zin. Laat bij twijfel over uw specifieke situatie meekijken door uw arbodienst of preventiemedewerker.
Veelgestelde vragen
De Nederlandse wet noemt geen aantal. Artikel 3.24 van het Arbobesluit eist een voldoende aantal toiletten in de nabijheid van de ruimten waar wordt gewerkt, en voldoende wastafels in of naast die toiletruimten. Wat voldoende is, onderbouwt u zelf in uw risico-inventarisatie, op basis van het aantal gelijktijdig aanwezige medewerkers, de loopafstand en de piekmomenten rond pauzes en ploegwissels.
Niet in Nederland. Die verhouding komt uit de Belgische Codex over het welzijn op het werk en wordt door Nederlandse adviesbureaus en leveranciers ten onrechte als landelijke norm gepresenteerd. In Nederland is het hooguit een praktijkrichtlijn of een afspraak uit een arbocatalogus. Het is wel een bruikbaar startpunt voor uw eigen onderbouwing, zolang u het niet als wettelijke eis presenteert.
Niet noodzakelijk. Artikel 3.24 lid 3 spreekt over de toiletten of het gebruik van de toiletten dat naar seksen gescheiden is. Gescheiden gebruik, bijvoorbeeld door afsluitbare individuele toiletruimten met een gedeelde wasruimte, voldoet dus ook. Voor kleedruimten ligt dat anders: artikel 3.22 lid 2 eist daar wel naar seksen gescheiden ruimten.
Een aparte kantine niet, een pauzeruimte wel. Artikel 3.20 eist een gemakkelijk toegankelijke ruimte in het bedrijf of in de directe nabijheid daarvan, die geschikt is om pauzes door te brengen en die voldoende ruim is met voldoende tafels en stoelen. Pauzeren aan de inpaktafel of op een pallet in de expeditie voldoet niet. Een koelkast, magnetron of koffieautomaat is geen wettelijke eis.
Ja, zonder uitzondering. De Arbowet wijst de inlener aan als werkgever van de ter beschikking gestelde werknemer. De artikelen over sanitair, kleedruimten en pauzeruimte gelden dus onverkort voor uitzendkrachten en gedetacheerden. Een aparte, mindere voorziening voor flexkrachten is een overtreding en is bovendien een van de dingen waar bij inspecties in distributiecentra gericht naar wordt gekeken.
Er is in 2026 geen Nederlands of Europees wetsartikel dat een laad- of losadres daartoe verplicht. Artikel 3.24 richt zich tot de werkgever en spreekt over de werknemers, en de chauffeur is in beginsel werknemer van de vervoerder. Wel ontstaat er een reeel gezagsargument als de chauffeur onder uw aanwijzingen lost. In de praktijk is dit vooral een kwestie van ketenafspraken en goed opdrachtgeverschap.
De artikelen 3.20 tot en met 3.25 vallen alle in de tweede boetecategorie, met een normbedrag van 750 euro, en zijn getypeerd als overige overtreding. Dat betekent dat u eerst een waarschuwing of een eis tot naleving krijgt en pas bij herhaling een boete. Het normbedrag geldt bij vijfhonderd werknemers of meer en wordt naar rato verlaagd bij kleinere bedrijven. Was de overtreding de directe aanleiding voor een ongeval, dan volgt wel direct een boete.