Alle 9 magazijn-verplichtingen op één dashboard, één aanspreekpunt. 9 verplichtingen, 1 dashboard. · Inspectie-proof, jaarlijks bijgewerkt, geen losse keurders meer Hoe het werkt →

Omgevingsvergunning en milieubelastende activiteiten voor een magazijn of distributiecentrum

Geschreven door Envora Laatst bijgewerkt op 20 augustus 2026 · Leestijd 10 minuten
Relevant voor

Een magazijn of distributiecentrum heeft niet automatisch een omgevingsvergunning nodig. Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst per activiteit aan of er algemene regels, een meldingsplicht of een vergunningplicht geldt. Opslag van 10.000 kg of meer verpakte gevaarlijke stoffen per opslagplaats is vergunningplichtig, net als een koelinstallatie met meer dan 1.500 kg ammoniak. Een melding moet ten minste vier weken voor de start van de activiteit via het Omgevingsloket binnen zijn.

Envora — magazijn-compliance in beeld

In het kort

Vergunning, melding of alleen algemene regels

Onder de Omgevingswet is de milieuvergunning voor een heel bedrijf verdwenen. In plaats daarvan wordt per activiteit bepaald welk regime geldt: alleen algemene rijksregels, algemene regels met een meldingsplicht, of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.

Dat verschil is voor een magazijn wezenlijk. De meeste distributiecentra hebben geen vergunning nodig, maar wel een reeks meldingen en informatieplichten die per activiteit apart lopen. Het gebouw is niet de eenheid van regelgeving, de activiteit is dat.

De vraag is dus nooit of een distributiecentrum vergunningplichtig is, maar welke handelingen er binnen de poort plaatsvinden en welke daarvan zijn aangewezen. Dat is eerst een inventarisatievraag en pas daarna een juridische.

Distributiecentrum met palletstellingen en opslag van goederen tijdens de dagelijkse operatie

Het Besluit activiteiten leefomgeving in het kort

De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving, kortweg het Bal. Hoofdstuk 3 wijst de activiteiten aan en geeft aan welke daarvan vergunningplichtig zijn. De inhoudelijke voorschriften staan in hoofdstuk 4 en 5.

Die hoofdstukken werken alleen als een artikel in hoofdstuk 3 ze aanwijst. Dat aanwijzende artikel heet de richtingaanwijzer en draagt de kop algemene regels. Staat er in een paragraaf geen artikel met de kop aanwijzing vergunningplichtige gevallen, dan is die activiteit niet vergunningplichtig.

Daarnaast geldt voor elke milieubelastende activiteit de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Die plicht staat naast alle andere regels en is de grondslag waarop een omgevingsdienst ook kan optreden zonder concreet voorschrift.

Wanneer uw DC een milieubelastende activiteit verricht

Een opslag- en transportbedrijf, een groothandel en een containerterminal zijn als milieubelastende activiteit aangewezen in paragraaf 3.8.6 van het Bal, via artikel 3.285. De kernactiviteit is het opslaan van stoffen of goederen voor vervoer, het onderhouden en repareren van voertuigen of werktuigen, en het opstellen van voertuigen met gevaarlijke stoffen.

Daarnaast kan een distributiecentrum meerdere bedrijfstakoverstijgende activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal binnen dezelfde poort hebben. Denk aan een stookinstallatie, een koelinstallatie, een opslagtank of de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Elk daarvan heeft een eigen paragraaf met eigen drempels.

Dat stapelt. Een locatie kan tegelijk onder vier of vijf paragrafen vallen, met per paragraaf een eigen antwoord op de vraag melding, vergunning of niets. Wie het overzicht per activiteit niet vastlegt, mist er standaard een of twee. Dat patroon herkent u terug in het bredere overzicht van wet- en regelgeving voor magazijnen.

Opslag van gevaarlijke stoffen en PGS 15

De meest voorkomende vergunningvraag in een distributiecentrum gaat over verpakte gevaarlijke stoffen. Die activiteit staat in paragraaf 3.2.9 van het Bal en gaat over stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8, plus aquatoxische stoffen van klasse 9.

De aanwijzing begint pas boven de ondergrenzen. Onder 1.000 kg in totaal valt de opslag er niet onder, met veel lagere grenzen voor de zwaarste klassen: 1 kg voor onder meer ADR 5.2 en 6.1 verpakkingsgroep I, 25 kg voor vloeibare ADR 3 in verpakkingsgroep I of II, en 125 liter voor brandbare gassen in gasflessen.

Boven die grenzen gelden de voorschriften van paragraaf 4.98 van het Bal, en die verwijzen rechtstreeks naar PGS 15. Bij meer dan 2.500 kg met ADR-klasse 3 of brandbare klasse 4-stoffen geldt bovendien een veiligheidsafstand van 20 meter, of 8 meter bij een brandcompartiment of een brandwerende voorziening.

De vergunningplicht geldt per opslagplaats

De vergunningplicht van artikel 3.28 van het Bal geldt per opslagplaats, niet per bedrijf. Een opslagplaats kan een bouwwerk zijn, een deel daarvan, een brandwerende constructie of een veiligheidskast. De grens ligt bij 10.000 kg of meer in totaal.

Daarnaast is een vergunning nodig bij meer dan 1.000 kg ADR 6.1 verpakkingsgroep I, meer dan 1.000 kg ADR 8 verpakkingsgroep I en meer dan 1.500 liter giftige of bijtende gassen in gasflessen. Dat laatste raakt bedrijven met een forse gasflessenopslag sneller dan zij verwachten.

De drempels op een rij

Onderstaande tabel zet de meest relevante drempels uit het Bal naast elkaar. Gebruik hem als eerste zeef en niet als eindoordeel, want per paragraaf gelden uitzonderingen en eigen definities.

ActiviteitBal-paragraafValt eronder vanafVergunningplicht vanaf
Verpakte gevaarlijke stoffen3.2.91.000 kg totaal10.000 kg per opslagplaats
Giftige of bijtende gassen in gasflessen3.2.925 literMeer dan 1.500 liter
Koelinstallatie met ammoniak3.2.510 kgMeer dan 1.500 kg
Koelinstallatie met koolwaterstoffen3.2.55 kgMeer dan 100 kg
Koelinstallatie met kooldioxide3.2.510 kgGeen
Stookinstallatie3.2.1Meer dan 100 kWNiet-standaard brandstof
Opslagtank voor vloeistoffen3.2.8Meer dan 250 literMeer dan 150 m3 per tank
Bedrijfsafval buiten productielocatie3.2.13Meer dan 45 m3Meer dan 45 m3 per stroom
Gevaarlijk afval buiten productielocatie3.2.13Meer dan 50 tonMeer dan 50 ton
Voertuigen met gevaarlijke stoffen opstellen3.8.6Bij vervoerMeer dan 24 uur of meer dan 3

Let op de doorwerking. Zodra een van deze vergunningplichten geldt, vallen op dezelfde locatie ook de overige activiteiten met gevaarlijke stoffen onder de vergunning. De ondergrenzen van artikel 3.27 lid 2 gelden dan niet meer, zodat het bevoegd gezag alle stoffen op de locatie in een vergunning kan beoordelen.

Lithium-ion accu's, laadstations en energieopslag

Dit is op dit moment het lastigste onderdeel van het dossier, omdat de regelgeving nog niet af is. Het exploiteren van een energieopslagsysteem en de opslag van lithiumhoudende batterijen zijn nog niet als milieubelastende activiteit aangewezen in het Bal.

Het wijzigingsbesluit daarvoor ging op 27 maart 2026 in consultatie en die consultatie sloot op 28 april 2026. Inwerkingtreding wordt in de loop van 2028 verwacht. Tot die tijd gelden twee routes, afhankelijk van de vraag of de opslag functioneel ondersteunend is aan een aangewezen activiteit.

Is dat het geval, dan kan PGS 37-1 of PGS 37-2 worden voorgeschreven in een vergunningvoorschrift, of als invulling van de zorgplicht van artikel 2.11 met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.13. Is dat niet het geval, dan gelden de regels van het omgevingsplan, waaronder de zorgplicht uit de bruidsschat. Beide PGS-richtlijnen zijn in december 2023 vastgesteld en bevatten implementatietermijnen voor bestaande situaties.

Praktisch betekent dit dat u niet kunt wachten op de wetswijziging. Wie nu een accupakket, een batterijcontainer of een laadplein aanlegt, krijgt de eisen via de zorgplicht of het omgevingsplan alsnog voorgelegd. Lees daarvoor de uitwerking bij PGS 37-2 voor energieopslag en bij lithium-ion accu opslag in het magazijn.

Opslag van gevaarlijke stoffen in een afgescheiden opslagvoorziening bij een distributiecentrum

Koelinstallaties, stookinstallaties en tanks

Een koelinstallatie valt onder paragraaf 3.2.5 van het Bal vanaf 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak. De vergunningplicht begint bij meer dan 100 kg koolwaterstoffen of meer dan 1.500 kg ammoniak. Installaties met F-gassen vallen hier juist buiten, want daarvoor geldt de Europese F-gassenverordening rechtstreeks.

Dat onderscheid wordt in vrieshuizen en gekoelde DC's regelmatig door elkaar gehaald. Een ammoniakinstallatie is een Bal-activiteit met een gemeentelijke lijn, terwijl een installatie met synthetische koudemiddelen via de F-gassenverplichtingen loopt met een heel ander toezichtsspoor.

Een stookinstallatie valt onder paragraaf 3.2.1 vanaf meer dan 100 kW nominaal thermisch ingangsvermogen. Vergunningplichtig is zij pas bij een niet-standaard brandstof, dus iets anders dan onder meer aardgas, propaan, gasolie, waterstof of biodiesel volgens NEN-EN 14214. De periodieke keuring van de stookinstallatie loopt via paragraaf 4.126 van het Bal.

Voor opslagtanks geldt paragraaf 3.2.8. Een tank of tankcontainer met een inhoud van meer dan 250 liter valt niet onder de verpakte opslag maar onder het tankregime. Opslag in een tank met een inhoud van meer dan 150 kubieke meter is altijd vergunningplichtig, en die grens geldt per tank en niet als optelsom van meerdere kleine tanks.

Afvalopslag in het distributiecentrum

Afval is de activiteit die in magazijnen het vaakst buiten beeld blijft, omdat niemand het als milieubelastende activiteit ziet. Paragraaf 3.2.13 van het Bal gaat over handelingen met bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte.

Aangewezen zijn onder meer het opslaan van meer dan 45 kubieke meter bedrijfsafval en meer dan 50 ton gevaarlijk afval op een andere locatie dan waar het is ontstaan. Ook het mengen van afvalstromen valt eronder. Voor die activiteiten geldt in beginsel een vergunningplicht, met als reden een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Er zijn uitzonderingen die voor een DC praktisch zijn: opslag van maximaal 45 kubieke meter per gescheiden gehouden stroom bedrijfsafvalstoffen is uitgezonderd, net als maximaal 600 kubieke meter groenafval. Zodra u afval van andere vestigingen naar een centrale locatie brengt, verandert het beeld en komt de vergunningplicht snel in zicht.

De rol van het omgevingsplan en de gemeente

Het Bal is niet het hele verhaal. Naast de rijksregels staan er regels in het omgevingsplan van de gemeente, in de omgevingsverordening van de provincie en in de waterschapsverordening. Die lokale regels kunnen strenger zijn en kunnen een eigen vergunningplicht bevatten voor een omgevingsplanactiviteit.

Elk omgevingsplan bevat sinds de invoering van de Omgevingswet een bruidsschat: rijksregels die automatisch aan het tijdelijke deel van het plan zijn toegevoegd. Die regels gelden zolang de gemeente geen eigen regels heeft gesteld, tijdens een overgangsfase die tot eind 2031 loopt.

Wat er precies op uw locatie geldt, controleert u via Regels op de kaart in het Omgevingsloket. Doe dat per adres en niet per bedrijfstype, want de verschillen tussen gemeenten en zelfs tussen bedrijventerreinen binnen een gemeente zijn aanzienlijk.

Melden via het Omgevingsloket

Geldt er een meldingsplicht, dan mag de activiteit niet eerder dan vier weken na de melding starten. Starten zonder melding is verboden. Voor een enkele activiteit geldt een afwijkende termijn.

De melding bevat altijd de algemene gegevens van artikel 2.17 van het Bal: de aanduiding van de activiteit, naam en adres van degene die de activiteit verricht, het adres of de coordinaten van de locatie, en de dagtekening. Soms komen daar specifieke gegevens bij, afhankelijk van de activiteit.

U dient de melding in via het Omgevingsloket. Het bevoegd gezag neemt geen besluit op een melding, want het is geen aanvraag. Wel geeft het kennis van de melding in een elektronische publicatie, en sinds 1 januari 2026 stuurt het een ontvangstbevestiging.

Voor een vergunningaanvraag geldt bij de reguliere procedure een beslistermijn van acht weken, eenmalig te verlengen met maximaal zes weken op grond van artikel 16.64 van de Omgevingswet. Is instemming van een ander bestuursorgaan nodig, dan is de termijn twaalf weken.

Informatieplichten en maatwerkvoorschriften

Naast de melding kent het Bal informatieplichten. Voor een activiteit uit hoofdstuk 3 moet u vier weken voor de start algemene gegevens aanleveren, waaronder de verwachte startdatum en de begrenzing van de locatie. Wijzigt die begrenzing, dan geeft u dat door.

In hoofdstuk 2, 4 en 5 staan daarnaast plichten om gegevens en bescheiden te verstrekken of het bevoegd gezag te informeren. Dat kan gaan om een meetrapport, een onderzoek of het buiten gebruik stellen van een installatie. Deze plichten zijn geen melding, maar het niet nakomen ervan is wel een overtreding. Los daarvan loopt de vierjaarlijkse rapportage over de energiebesparingsplicht, die u niet bij de omgevingsdienst indient maar via het eLoket van RVO.

Maatwerk werkt twee kanten op. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.13 van het Bal afwijken van de algemene regels, strenger of soepeler. U kunt daar zelf om verzoeken, bijvoorbeeld wanneer een standaardvoorschrift op uw locatie technisch niet uitvoerbaar is.

Uitbreiding of wijziging van de bedrijfsactiviteit

Dit is het moment waarop de meeste fouten ontstaan. Een nieuwe klant met gevaarlijke stoffen, een extra opslagvoorziening, een tweede vrieshal of een laadplein verandert het antwoord op de vraag melding of vergunning, ook als het pand hetzelfde blijft.

Het starten van een nieuwe activiteit uit hoofdstuk 4 van het Bal moet u altijd melden. Of een wijziging van een eerder gemelde activiteit ook moet worden gemeld, verschilt per activiteit. Er is geen algemene plicht om beeindiging of inkrimping te melden.

Los daarvan verplicht artikel 2.19 van het Bal u om bepaalde gegevens door te geven: een wijziging van naam of adres van degene die de activiteit verricht, een wijziging van de locatiegegevens, en het feit dat een ander de activiteit gaat verrichten. Dat laatste moet vier weken van tevoren, wat bij een overname of een wisseling van logistiek dienstverlener direct relevant is.

Loop bij elke uitbreiding ook de aanpalende dossiers na. Een nieuwe stoffenstroom raakt de zonering voor explosieveiligheid, de brandveiligheid en de arbeidsomstandigheden tegelijk, en die trajecten kennen hun eigen termijnen.

Handhaving en wat de omgevingsdienst controleert

Toezicht en handhaving liggen bij het bevoegd gezag, in de praktijk bij de regionale omgevingsdienst. Bij een overtreding kan die een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang opleggen. In de regel gaat daar een aanschrijving met een hersteltermijn aan vooraf.

Een last onder dwangsom werkt met een bedrag per overtreding of per tijdseenheid, tot een vastgesteld maximum. Herstelt u binnen de begunstigingstermijn, dan verbeurt u niets. Blijft de overtreding bestaan, dan loopt de dwangsom op zonder dat er nog een nieuw besluit nodig is.

Bij een controle kijkt de toezichthouder eerst of de feitelijke situatie overeenkomt met de melding of de vergunning. Daarna volgen de opslagvoorzieningen, de veiligheidsafstanden, de bodembeschermende voorzieningen, de installaties en het afvalbeheer. Tot slot het dossier: keuringsrapporten, metingen en de naleving van maatwerkvoorschriften. Dit toezicht staat los van de Arbeidsinspectie, die naar de arbeidsrechtelijke verplichtingen kijkt.

Digitaal milieudossier met meldingen en vergunningen van een distributiecentrum

Checklist milieudossier

Loop deze punten af voordat de omgevingsdienst langskomt. Ze dekken de vragen die bij een eerste bedrijfsbezoek vrijwel altijd op tafel komen.

  • Leg vast welke milieubelastende activiteiten er op uw locatie worden verricht, met de bijbehorende Bal-paragraaf.
  • Noteer per activiteit de actuele hoeveelheden en vermogens en toets die aan de drempels.
  • Bewaar alle ingediende meldingen met datum, ontvangstbevestiging en de bijbehorende publicatie.
  • Houd de omgevingsvergunning en alle wijzigingen daarvan compleet bij elkaar, inclusief de voorschriften.
  • Verzamel de maatwerkvoorschriften die op uw locatie gelden en check of ze nog aansluiten op de praktijk.
  • Controleer via Regels op de kaart welke regels het omgevingsplan voor uw adres stelt.
  • Leg de keuringsrapporten van stook-, koel- en tankinstallaties samen met het milieudossier vast.
  • Zet een vast moment in het jaar waarop u wijzigingen in activiteiten toetst aan de meldingsplicht.

De meeste problemen ontstaan niet door onwil maar doordat de situatie is meegegroeid met het bedrijf terwijl het dossier is blijven staan. Wie de activiteitenlijst jaarlijks bijwerkt, houdt de rest van het compliance-dossier vanzelf beheersbaar.

Veelgestelde vragen

Nee. De meeste magazijnen en distributiecentra werken volledig onder algemene rijksregels en hebben geen omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nodig. De vergunningplicht ontstaat pas bij specifiek aangewezen situaties, zoals opslag van 10.000 kg of meer verpakte gevaarlijke stoffen per opslagplaats, een koelinstallatie met meer dan 1.500 kg ammoniak of een opslagtank van meer dan 150 kubieke meter. Valt uw activiteit onder een paragraaf van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving zonder dat daar een artikel met de kop aanwijzing vergunningplichtige gevallen bij staat, dan is de activiteit niet vergunningplichtig en volstaan de algemene regels, eventueel aangevuld met een melding.

Geldt er een meldingsplicht op grond van hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dan is het verboden om de activiteit te starten zonder die melding. Bent u toch gestart, dan overtreedt u het Bal en kan het bevoegd gezag bestuursrechtelijk optreden. In de praktijk volgt eerst een aanschrijving met een hersteltermijn, waarna alsnog gemeld moet worden. Blijft dat uit, dan kan een last onder dwangsom of bestuursdwang volgen. Meld daarom alsnog zo snel mogelijk, ook als de activiteit al draait. Een te late melding is een kleiner probleem dan een activiteit die helemaal niet in beeld is bij de omgevingsdienst.

Voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen is de gemeente meestal het bevoegd gezag. In de uitvoering doet de regionale omgevingsdienst het werk, dus de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving. Is de activiteit vergunningplichtig en is voor die vergunning een ander bestuursorgaan aangewezen, bijvoorbeeld de provincie, dan is dat orgaan ook bevoegd gezag voor de overige Bal-regels op die locatie. Voor een gemiddeld distributiecentrum is de gemeente het aanspreekpunt en de omgevingsdienst de uitvoerder. Vraag bij twijfel schriftelijk om bevestiging, want die vaststelling bepaalt bij wie u meldt en wie u later controleert.

Bij veel activiteiten uit hoofdstuk 4 van het Bal vervalt de meldingsplicht als de activiteit vergunningplichtig is op grond van hoofdstuk 3. De reden is eenvoudig: dezelfde gegevens staan dan al in de vergunningaanvraag. Let er wel op dat de vergunningplicht zich soms uitstrekt tot functioneel ondersteunende activiteiten die op zichzelf niet vergunningplichtig zijn. Verandert er iets aan uw activiteiten dat buiten de reikwijdte van de vergunning valt, dan kan er alsnog een melding of een informatieplicht ontstaan. Loop bij elke wijziging opnieuw langs de vergunningcheck in het Omgevingsloket in plaats van af te gaan op de situatie van jaren geleden.

Nog niet als zelfstandige milieubelastende activiteit. Het opslaan van lithiumhoudende batterijen en het exploiteren van een energieopslagsysteem zijn op dit moment niet aangewezen in het Bal. Het wijzigingsbesluit daarvoor ging op 27 maart 2026 in consultatie, die op 28 april 2026 sloot; inwerkingtreding wordt in de loop van 2028 verwacht. Tot die tijd gelden twee routes. Ondersteunt de accu-opslag een wel aangewezen milieubelastende activiteit, dan kan PGS 37 via de specifieke zorgplicht of een vergunningvoorschrift worden geeist. Staat de opslag daar los van, dan gelden de regels van het omgevingsplan, inclusief de zorgplicht uit de bruidsschat.

Bij de reguliere voorbereidingsprocedure is de beslistermijn acht weken vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag. Het bevoegd gezag kan die termijn eenmaal met maximaal zes weken verlengen en moet dat binnen de beslistermijn aan u bekendmaken. Is instemming van een ander bestuursorgaan voorgeschreven, dan is de beslistermijn twaalf weken. De termijn wordt opgeschort zodra u wordt gevraagd de aanvraag aan te vullen, en dat is in de praktijk de grootste vertragingsbron. Voor complexe bedrijven geldt de uitgebreide procedure met een aanzienlijk langere doorlooptijd. Reken daarom nooit op acht weken als u een verbouwing of uitbreiding plant.

Een melding hoort bij een activiteit uit hoofdstuk 4 van het Bal en is een voorwaarde om te mogen starten: zonder melding geen activiteit. Een informatieplicht is breder en gaat over gegevens die u tijdens of rond de activiteit moet aanleveren, bijvoorbeeld een meetrapport, het buiten gebruik stellen van een installatie of gegevens over de begrenzing van de locatie. Voor activiteiten uit hoofdstuk 3 geldt daarnaast dat u vier weken voor de start algemene gegevens aanlevert, zoals naam, adres, locatiebegrenzing en startdatum. Beide lopen via het Omgevingsloket, maar alleen bij de melding is starten zonder indiening verboden.

Een toezichthouder begint bij de vraag welke milieubelastende activiteiten er op de locatie worden verricht en of die kloppen met de melding of de vergunning. Daarna volgt de fysieke situatie: de opslagvoorzieningen en de aansluiting op PGS 15, veiligheidsafstanden, bodembeschermende voorzieningen, de aanwezige installaties en het afvalbeheer. Vervolgens komt het papier: keuringsrapporten, meetgegevens, het register van gevaarlijke stoffen en de naleving van maatwerkvoorschriften. Bij afwijkingen gaat het bijna altijd om verschillen tussen wat er is gemeld en wat er feitelijk staat. Een actueel overzicht van uw activiteiten en hoeveelheden is daarom het belangrijkste document dat u kunt hebben.

Neem contact op met onze adviseurs

Wilt u weten of Envora past bij uw locaties? Of heeft u een specifieke vraag over slaapruimtemonitoring, het GGD-rapport of de installatie? Wij beantwoorden het binnen één werkdag.

Spaces Vijzelstraat, Amsterdam

Veelgestelde vragen

Envora is een managed service voor luchtkwaliteitmonitoring in de kinderopvang. Wij plaatsen professionele sensoren in elke ruimte, meten continu 6 parameters (CO₂, fijnstof, TVOC, vochtigheid, temperatuur en formaldehyde) en leveren rapportages die voldoen aan de normen van de GGD, het Bouwbesluit en het RIVM. U beheert alles vanuit één centraal platform.

De pilotmeting is een eenmalige meting op 1 locatie. Wij installeren sensoren in de gewenste ruimtes (circa 15 minuten per ruimte, zonder boren), meten de luchtkwaliteit en leveren een rapport met meetresultaten, conclusies en advies. U zit nergens aan vast.

De pilotmeting kost €479 per locatie. Dit is eenmalig en inclusief installatie, meting en rapport met advies. Er is geen abonnement of opzegtermijn aan verbonden.

Ja. Het rapport bevat continue meetdata per ruimte, getoetst aan de normen uit het Bouwbesluit 2012 en de RIVM-richtlijn 2023. GGD-inspecteurs beoordelen op aantoonbare naleving, het Envora-rapport levert exact die onderbouwing, inclusief trendgrafieken en compliance-scores.

Ja. Het Envora-platform is gebouwd voor multi-locatiebeheer. U ziet real-time data van elke ruimte op elke locatie in één dashboard. Bij een normoverschrijding op locatie 4 krijgt u direct een melding, ook als u op locatie 1 zit.

Installatie duurt circa 15 minuten per ruimte. De sensoren worden draadloos gemonteerd zonder boren of kabeltrekken. Een volledige locatie met 5 ruimtes is binnen een ochtend operationeel, zonder hinder voor de dagelijkse opvang.

Met het verzenden van dit bericht gaat u akkoord met onze privacyverklaring.

Contactpersoon Envora