Wat een verdeelkast doet
De verdeelkast is het punt waar de hoofdvoeding van het pand uiteenvalt in de groepen die het magazijn draaien: verlichting, laadstations, overheaddeuren, koeling, kantoor en machines.
Alles wat daarna misgaat, loopt via die kast terug. Een overbelaste groep, een losse klem, een beveiliging die te ruim is gekozen: het zijn stuk voor stuk fouten die zich in de kast manifesteren en daar ook zichtbaar worden gemaakt.
Tegelijk is het het onderdeel dat het minst wordt bekeken. Een kast hangt in een berging of een technische ruimte, doet jarenlang zijn werk en trekt pas aandacht als er iets uitvalt.
Dat is het risico. Brand in bedrijfsgebouwen ontstaat met enige regelmaat in of rond een verdeelinrichting, doorgaans door een verbinding die warm is geworden en niet is opgemerkt.
Wat de regelgeving eist
De verplichting komt uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Artikel 3.4 verplicht u ervoor te zorgen dat elektrische installaties zodanig zijn ontworpen, uitgevoerd en onderhouden dat gevaar voor brand, explosie en elektrocutie zoveel mogelijk is voorkomen.
Artikel 3.5 regelt het veilig werken aan of nabij die installatie, en artikel 7.4a verplicht tot periodieke keuring van arbeidsmiddelen waarvan de veiligheid afhankelijk is van installatie of van invloeden tijdens gebruik.
Wat er níet in staat, is hoe u dat doet. De wet verwijst naar de stand van de techniek, en die wordt ingevuld door de NEN-normen. Ons artikel over de verplichting van NEN 3140 gaat dieper in op die koppeling.
De Nederlandse Arbeidsinspectie vraagt bij een incident om drie dingen: wie is aangewezen als installatieverantwoordelijke, wanneer is er voor het laatst geïnspecteerd en wat is er met de bevindingen gedaan.
NEN 1010, NEN 3140 en 61439
Rond een verdeelkast lopen drie normen door elkaar, en ze doen elk iets anders.
NEN 1010 is de norm voor het aanleggen van laagspanningsinstallaties. Die geldt bij nieuwbouw, bij uitbreiding en bij elke wijziging, en de oplevering wordt daaraan getoetst.
NEN 3140 is de norm voor de bedrijfsvoering: het beheer van de bestaande installatie, de aanwijzing van personen, de veilige werkwijze en de periodieke inspectie. De verschillen tussen beide behandelen we in ons artikel over NEN 1010 en NEN 3140.
NEN-EN-IEC 61439 gaat over de verdeelinrichting zelf als product: de constructie van de kast, de kortsluitvastheid, de temperatuurstijging en de beproevingen die de fabrikant uitvoert. Die norm is relevant bij aanschaf en bij elke uitbreiding van de kast met nieuwe componenten.
Voor de praktijk komt het hierop neer. Bij oplevering en wijziging toetst u aan NEN 1010 en 61439, daarna leeft de kast onder NEN 3140.
Hoe vaak keuren
De vraag naar de frequentie is de meest gestelde en de minst eenduidig te beantwoorden. NEN 3140 kent geen vast interval, maar verplicht u er een te bepalen op basis van een risicobeoordeling.
Die beoordeling kijkt naar de omgeving, de gebruiksintensiteit, de ouderdom van de installatie, de deskundigheid van de gebruikers en de uitkomsten van eerdere inspecties. Een stoffige productiehal en een schoon kantoor krijgen daardoor niet dezelfde termijn.
Voor een vaste installatie in een magazijn komt de praktijk doorgaans uit op drie tot vijf jaar voor de volledige inspectie. Dat is geen norm maar een gangbare uitkomst van de beoordeling.
Daaronder liggen kortere cycli. Thermografie op zwaar belaste kasten wordt vaak jaarlijks uitgevoerd, aardlekschakelaars worden aanzienlijk vaker getest en verplaatsbare arbeidsmiddelen hebben een eigen, veel kortere termijn. Hoe die termijnen worden bepaald, staat in ons artikel over de keuringsfrequentie bij NEN 3140.
Wat de inspectietermijn verkort, is verandering. Een uitbreiding met laadpalen, een nieuwe koelinstallatie of een verbouwing zet de bestaande beoordeling op losse schroeven.
Wat er wordt beoordeeld
Een verdeelkastinspectie bestaat uit een visueel deel en een meetdeel, en het visuele deel levert meestal de meeste bevindingen op.
Visueel wordt gekeken naar de staat van de kast: is de behuizing gesloten, zitten alle afdekkingen erop, is er beschadiging, corrosie of vochtinslag, en is de aanraakbeveiliging intact zodat niemand bij spanningvoerende delen kan komen.
Daarna gaat het naar de binnenzijde. Zitten de klemmen vast, zijn de aders correct afgemonteerd, zijn er ondeugdelijke reparaties of doorverbindingen, en klopt de aderkleur met de functie.
Vervolgens de beveiligingen. Passen de nominale waarden van de automaten bij de kabeldoorsnede van de groep die eraan hangt, en is er niet ergens een zwaardere automaat geplaatst om een storing weg te nemen.
Ten slotte de opbouw van de installatie: aardingsvoorzieningen, hoofdpotentiaalvereffening, de aanwezigheid van overspanningsbeveiliging waar dat nodig is, en de vraag of de kast nog past bij het huidige gebruik van het pand.
De metingen
Het meetdeel legt vast wat visueel niet te zien is. Vier metingen komen vrijwel altijd terug.
De isolatieweerstand toont of de isolatie van de bekabeling nog intact is. Lage waarden wijzen op vocht, veroudering of beschadiging, en zijn een voorbode van kruipstroom en storingen.
De doorgaande verbinding van de beschermingsleiding controleert of de aarding daadwerkelijk overal aankomt. Een onderbroken aarde is onzichtbaar tot het moment dat hij nodig is.
De kortsluitstroom en de impedantie van de kring bepalen of een beveiliging bij een fout snel genoeg uitschakelt. Een automaat die pas te laat aanspreekt, beschermt op papier en niet in werkelijkheid.
De aardlekbeveiliging wordt getest op aanspreekstroom en uitschakeltijd. Een aardlekschakelaar van 30 milliampère die niet meer binnen de voorgeschreven tijd uitschakelt, is geen beveiliging meer. Ons artikel over de keuring van aardlekschakelaars gaat daar verder op in.
Thermografie op de kast
Thermografie is de enige methode die een verbinding vindt die te warm wordt zonder dat er iets is uitgevallen. Een losse klem, een te zwaar belaste groep of een slecht contact in een automaat wordt zichtbaar als warmteverschil.
De opname gebeurt onder representatieve belasting, want een kast die stilstaat toont niets. Dat betekent plannen op een moment dat de operatie draait, niet in een stille week.
De beoordeling werkt met temperatuurverschillen ten opzichte van vergelijkbare fasen en componenten, niet met absolute waarden. Een verschil van enkele graden is een aandachtspunt, een fors verschil is een directe actie.
Veel verzekeraars nemen een thermografische inspectie op als voorwaarde, vaak gekoppeld aan de SCIOS-systematiek voor brandrisico van elektrisch materieel. Wat die inspectie inhoudt, staat in ons artikel over SCIOS Scope 10.
De praktische winst is dat thermografie weinig verstoort. De kast blijft in bedrijf, de opname duurt kort en de bevindingen zijn direct te prioriteren. Meer over de methode staat in ons artikel over thermografie binnen NEN 3140.
Werkruimte en omgeving
Een deel van de bevindingen gaat niet over de kast maar over wat eromheen staat.
Voor de kast hoort vrije werkruimte, zodat iemand er veilig bij kan en bij een storing snel kan schakelen. In magazijnen verdwijnt die zone regelmatig onder pallets, rolcontainers of opslagmateriaal.
Daarnaast telt de brandveiligheid mee. Brandbaar materiaal direct tegen een verdeelinrichting vergroot de kans dat een lokale oververhitting uitgroeit tot brand, en het bemoeilijkt bereikbaarheid bij een incident.
Ook de omgevingscondities horen in de beoordeling. Stof in een kast isoleert warmte en vermindert kruipwegen, vocht tast contacten aan en een te hoge omgevingstemperatuur verlaagt de belastbaarheid van de componenten.
Een kast in een koel- of vriesruimte, in een wasplaats of naast een laadzone met accuzuur vraagt daardoor om een andere beoordeling dan dezelfde kast in een droge technische ruimte.
Schema's en labeling
Documentatie is bij een verdeelkast geen formaliteit maar een voorwaarde om de inspectie überhaupt uit te kunnen voeren.
Het eendraadschema laat zien hoe de installatie is bedoeld: welke groep waar naartoe gaat, welke beveiliging erbij hoort en hoe de selectiviteit is opgezet. Zonder dat schema kan een inspecteur alleen constateren wat er is, niet of dat klopt.
De groepenverklaring of het groepenoverzicht hoort actueel te zijn en leesbaar in of bij de kast te hangen. Handgeschreven wijzigingen zijn toegestaan zolang ze herleidbaar en gedateerd zijn.
Labeling van de componenten sluit daarbij aan. Een automaat waarvan niemand weet wat eraan hangt, wordt bij een storing niet uitgeschakeld maar teruggezet.
Ten slotte de aanwijzing. NEN 3140 vraagt om een aangewezen installatieverantwoordelijke die het beheer draagt en de opvolging van bevindingen borgt.
Veelgevonden afwijkingen
De bevindingenlijst van een verdeelkastinspectie in een magazijn lijkt van bedrijf tot bedrijf sterk op elkaar.
Bovenaan staat de ontbrekende of beschadigde afdekking, waardoor spanningvoerende delen aanraakbaar zijn. Dat is een directe, meestal eenvoudig te verhelpen tekortkoming.
Daarna volgen de losse klemmen, vrijwel altijd gevonden met thermografie, en de te zware automaat op een te dunne kabel, doorgaans het gevolg van een storing die ooit is weggenomen door een groter exemplaar te plaatsen.
Een derde groep bestaat uit uitbreidingen die niet in het schema zijn verwerkt: een extra groep voor een laadpunt, een tussengeplaatste verdeler of een tijdelijke voorziening die permanent is geworden.
En ten slotte de omgevingsbevindingen: opslag voor de kast, stof in de kast en een deur die niet meer sluit. Klein op papier, maar ze zijn de eerste indruk bij een inspectie of een bezoek van de verzekeraar.
Wat in het rapport hoort
Een bruikbaar inspectierapport maakt vier dingen ondubbelzinnig.
Ten eerste het object: welke kast, in welke ruimte, met welke aanduiding, en welke installatiedelen zijn meegenomen in de scope.
Ten tweede de methode: welke norm is gehanteerd, welke metingen zijn uitgevoerd, met welke meetmiddelen en wanneer die zijn gekalibreerd.
Ten derde de bevindingen met een prioritering, zodat helder is wat direct moet en wat bij de eerstvolgende onderhoudsronde kan. Een lijst zonder weging leidt zelden tot actie.
Ten vierde de opvolging: wie doet wat, op welke termijn, en hoe wordt het herstel vastgelegd. Een hersteld punt hoort met datum en uitvoerder terug te komen in het dossier, want daar draait de aantoonbaarheid om. Hoe zo'n rapport eruitziet, laten we zien in ons artikel over het NEN 3140 rapport.
Hoe u het aanpakt
Begin bij de aanwijzing. Zonder aangewezen installatieverantwoordelijke blijft elke inspectie een los rapport zonder eigenaar.
Inventariseer daarna welke verdeelinrichtingen u eigenlijk heeft. In veel panden zijn dat er meer dan gedacht, omdat onderverdelers bij verbouwingen zijn bijgeplaatst en nooit in een overzicht zijn beland.
Stel per kast de termijn vast met een risicobeoordeling en leg die onderbouwing vast. Dat document is bij een controle net zo belangrijk als het inspectierapport zelf.
Plan thermografie op de kasten die er in belasting of kritikaliteit uitspringen, en doe dat op een moment dat de operatie draait.
Zet ten slotte de bevindingen en de hersteldata in hetzelfde overzicht als uw overige keuringen. Een kast die is gekeurd maar waarvan het herstel nergens staat, telt bij een onderzoek niet mee. Hoe u dat overzicht opzet, staat in ons artikel over de keuringskalender.
Veelgestelde vragen
NEN 3140 noemt geen vast getal maar schrijft voor dat u de termijn bepaalt met een risicobeoordeling, op basis van omgeving, gebruiksintensiteit, ouderdom en de kwaliteit van eerdere inspecties. Voor een vaste installatie in een magazijn komt dat in de praktijk uit op drie tot vijf jaar. Zwaar belaste kasten, kasten in een stoffige of vochtige omgeving en kasten met laadinfrastructuur krijgen een kortere termijn, vaak met een jaarlijkse thermografische controle ertussen.
NEN 1010 gaat over het aanleggen: hoe de installatie moet worden ontworpen en uitgevoerd, en waarop bij oplevering wordt geïnspecteerd. NEN 3140 gaat over het gebruik: het beheer van een bestaande installatie, de periodieke inspectie en de veilige bedrijfsvoering. Bij een nieuwe of gewijzigde kast toetst u aan NEN 1010, daarna valt dezelfde kast onder het inspectieregime van NEN 3140.
Deels. De visuele beoordeling van de binnenzijde en de thermografische opname gebeuren juist onder belasting, want dan zijn warme verbindingen zichtbaar. Voor isolatieweerstandsmetingen en het controleren van aansluitingen moet de betreffende groep of de kast wel spanningsloos zijn. In de praktijk wordt de inspectie daarom vaak gesplitst in een deel onder bedrijf en een deel tijdens een geplande onderbreking.
Thermografie is geen zelfstandige wettelijke verplichting, maar wel een erkende methode binnen NEN 3140 en het uitgangspunt van de SCIOS-scope voor brandrisico van elektrisch materieel. Verzekeraars nemen een thermografische inspectie regelmatig als voorwaarde op in de polis. Voor een verdeelkast met veel vermogen is het de enige methode die losse en overbelaste verbindingen vindt voordat ze schade veroorzaken.
Uitgangspunt is dat de kast te allen tijde veilig te bedienen en te beoordelen is, wat neerkomt op ongeveer een meter vrije werkruimte over de volle breedte van de kast, met een vrije vluchtroute. In magazijnen wordt die zone in de praktijk gebruikt als opslagplek voor pallets of materiaal. Dat is een van de vaakst genoteerde bevindingen en tegelijk de goedkoopste om op te lossen: markeer de zone op de vloer en houd hem leeg.
De inspectie wordt uitgevoerd door een vakbekwaam persoon volgens NEN 3140, met de meetmiddelen en de kennis die daarbij horen. Daarnaast moet uw organisatie een installatieverantwoordelijke hebben aangewezen die de installatie beheert en de inspectieresultaten opvolgt. Een rapport zonder aangewezen verantwoordelijke levert wel bevindingen op, maar geen sluitende bedrijfsvoering.
Dan kan de inspecteur niet vaststellen of de kast is uitgevoerd zoals bedoeld, en blijft de beoordeling beperkt tot wat zichtbaar is. Het schema hoort in of bij de kast te hangen en bij elke wijziging te worden bijgewerkt. Ontbreekt het, dan is het opnieuw laten opnemen van de installatie doorgaans de eerste actie, nog vóór de inspectie zelf zinvol wordt.
De voedende groep in de verdeelkast wel, het laadstation zelf heeft een eigen regime. Laadinfrastructuur belast een installatie langdurig en continu, wat de kast en de bekabeling anders belast dan een gemiddelde magazijngroep. Bij uitbreiding met laadpunten hoort daarom een herberekening van de belasting en een controle of de bestaande kast dat nog aankan.