Wat een noodstroomvoorziening moet doen
Een noodstroomvoorziening levert elektriciteit aan installaties die moeten blijven werken op het moment dat de netspanning wegvalt. In een distributiecentrum gaat het daarbij niet om de orderpickers of het warehousesysteem, maar om de installaties die mensen veilig het gebouw uit helpen en die de brandweer haar werk laten doen.
De term dekt drie verschillende technieken die in de praktijk voortdurend door elkaar worden gebruikt: accu's in de armaturen zelf, een centraal batterijsysteem in een aparte ruimte en een aggregaat met een verbrandingsmotor. Ze lossen hetzelfde probleem op, maar ze hebben elk een eigen normkader en een eigen keuringsregime.
Dat onderscheid is geen theorie. Wie het aggregaat netjes laat onderhouden maar nooit een duurtest op de noodverlichting laat doen, heeft twee installaties waarvan er maar een is aangetoond. Bij een controle telt precies de installatie die niet in het dossier zit.
Welke installaties noodstroom nodig hebben
Begin niet bij de techniek maar bij de lijst installaties. In een gemiddeld distributiecentrum zijn dat er meer dan de meeste beheerders uit het hoofd noemen, en de eisen komen uit verschillende artikelen.
| Installatie | Wat de voeding moet overbruggen | Grondslag |
|---|---|---|
| Noodverlichting en vluchtwegaanduiding | Binnen 15 seconden aan, ten minste 60 minuten, ten minste 1 lux | Bbl artikel 4.195 (nieuwbouw) en 3.101 (bestaande bouw) |
| Brandmeldinstallatie | Eigen noodstroomvoorziening in de centrale | Bbl artikel 6.32, uitgewerkt in NEN 2535 en NEN 2654 |
| Ontruimingsalarminstallatie | Eigen noodstroomvoorziening in de centrale | Bbl artikel 6.33, uitgewerkt in NEN 2575 en NEN 2654 |
| Rookbeheersingssysteem (RWA) | Aansturing en aandrijving tijdens brand | Bbl artikel 6.36, inspectiecertificaat 1 jaar geldig |
| Automatische blusinstallatie en sprinklerpomp | Aandrijving van de pomp bij netuitval | Bbl artikel 6.36, inspectiecertificaat 1 jaar geldig |
| Overheaddeuren en toegangscontrole | Ontgrendelen en openen zonder netspanning | Arbobesluit artikel 3.7, tweede en derde lid |
De laatste regel wordt het vaakst vergeten. Nooduitgangen moeten volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit te allen tijde kunnen worden geopend en van binnenuit eenvoudig naar buiten toe opengaan. Een elektrisch vergrendelde deur of een overheaddeur die bij spanningsuitval blokkeert, voldoet daar niet aan.
Decentraal, centraal of aggregaat
Er zijn drie manieren om die installaties van stroom te blijven voorzien. Welke u heeft, bepaalt wat u moet keuren en wie dat mag doen.
Decentrale accu's in de armaturen
Bij decentrale noodverlichting zit in elk armatuur een eigen accu die continu wordt bijgeladen. Valt de spanning weg, dan schakelt het armatuur zelfstandig om. Dit is de meest voorkomende oplossing in magazijnen omdat de bekabeling eenvoudig blijft.
De keerzijde is beheer. U heeft geen tien accu's maar tweehonderd, verspreid over een hal met sterk wisselende temperaturen. Zelftestarmaturen nemen daar een deel van weg, maar zij vervangen de periodieke keuring niet.
Centrale batterijvoeding
Bij een centraal systeem staat een batterijbank in een aparte ruimte en worden de armaturen daaruit gevoed. Het beheer concentreert zich op een plek en de bewaking is beter, maar de eisen aan de bekabeling en aan de brandwerende scheidingen zijn zwaarder.
Noodstroomaggregaat
Een aggregaat wekt zelf stroom op met een verbrandingsmotor. Het is de enige van de drie die zware verbruikers langdurig kan voeden, en het is ook de enige die naast een elektrisch regime een milieuregime kent. Daarover verderop meer.
De wettelijke basis en de 60 minuten
De centrale bepaling staat in artikel 4.195, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Noodverlichting geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.
Voor bestaande bouw staat exact dezelfde prestatie in artikel 3.101, vijfde lid. Er is dus geen soepeler regime voor een ouder pand. Waar noodverlichting aanwezig moet zijn, legt het Informatiepunt Leefomgeving uit: onder meer in een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen, in een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die ruimte voert en in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute loopt.
De Arbowet stelt een eigen eis
Naast het Bbl geldt het Arbobesluit. Artikel 3.7, vijfde lid, bepaalt dat vluchtwegen en nooduitgangen die bij het uitvallen van de verlichting slecht zichtbaar zijn, zijn voorzien van adequate noodverlichting. Artikel 3.9 voegt daaraan toe dat arbeidsplaatsen waar werknemers bij uitval van het kunstlicht aan bijzondere gevaren zijn blootgesteld, adequate noodverlichting hebben.
Die twee artikelen kennen geen personenaantal en geen ruimtecriterium. In een hoge stellingzone zonder daglicht kan de Arbowet dus noodverlichting eisen op een plek waar het Bbl dat niet doet.
Van 60 minuten naar accucapaciteit
De 60 minuten zijn geen ontwerpwaarde maar een ondergrens die de installatie ook aan het einde van de levensduur van de accu moet halen. Dat betekent dat u bij het ontwerp reserve inrekent en dat u de accu vervangt voordat de capaciteit onder die grens zakt.
De brancherichtlijn gaat uit van preventieve vervanging vier jaar na de productiedatum van de accu, tenzij de fabrikant anders opgeeft. Leg daarom per armatuur het accutype en die productiedatum vast, zodat vervanging planbaar wordt. Meer over de relatie tussen capaciteit en tijd leest u in het artikel over de brandduur van noodverlichting.
NEN 1010 en veiligheidsvoorzieningen
Artikel 4.199, eerste lid, van het Bbl bepaalt dat een voorziening voor elektriciteit bij lage spanning voldoet aan NEN 1010. Voor bestaande bouw staat diezelfde aanwijzing in artikel 3.106. Uw noodstroominstallatie is onderdeel van die voorziening en valt er dus onder.
Binnen NEN 1010 is hoofdstuk 5-56 het relevante deel: keuze en installatie van elektrisch materieel voor veiligheidsvoorzieningen. Dat hoofdstuk is bij de editie 2020 geheel herzien. De actuele uitgave is NEN 1010:2020+C1:2024.
De kern van dat hoofdstuk is onafhankelijkheid. Stroomketens van veiligheidsvoorzieningen moeten zo zijn uitgevoerd dat een defect of een wijziging in een andere installatie hun werking niet aantast. Dat heeft gevolgen voor de groepenindeling, voor het kabeltrace en voor de doorvoeringen tussen brandcompartimenten.
NEN 1010 kent daarnaast in deel 6 een periodieke verificatie van de vaste installatie, met als voorbeeldtermijn vier jaar voor de meeste installaties. Dat is iets anders dan de opleveringsinspectie bij ingebruikname en ook iets anders dan de jaarlijkse beproeving van de noodverlichting.
NEN-EN 50171 voor centrale voeding
Heeft u een centraal batterijsysteem, dan is NEN-EN 50171 de norm die de producttechnische eisen stelt. De actuele uitgave dateert van januari 2022, met correctiebladen uit 2024 en 2026.
De norm gaat over centrale voedingssystemen die permanent zijn aangesloten op wisselspanning tot 1000 V en die accu's gebruiken als alternatieve energiebron. Naast vluchtwegverlichting noemt de norm expliciet toepassingen als de elektrische circuits van automatische blusinstallaties, omroep- en signaleringsinstallaties, rookafvoerapparatuur en koolmonoxidewaarschuwingssystemen.
Twee bepalingen zijn in een magazijn extra van belang. De voeding van een centraal systeem is uitsluitend bestemd voor essentiele veiligheidsinstallaties en niet voor andere belastingen, zoals algemene IT- of industriele systemen. En een fout in de ene groep mag niet leiden tot onderbreking van een andere groep die veiligheidsinstallaties voedt.
Voedingen voor brandmeldapparatuur die onder de EN 54-serie vallen, zijn van NEN-EN 50171 uitgezonderd. De brandmeldinstallatie heeft dus een eigen voedingsregime, en hetzelfde geldt voor het ontruimingsalarm.
Het noodstroomaggregaat in een DC
Een aggregaat is de enige noodstroomvoorziening die stil kan uitvallen zonder dat iemand het merkt. Hij staat buiten of in een aparte ruimte, hij draait zelden en hij geeft geen melding zolang niemand hem aanzet.
Drie technische punten bepalen of hij het doet. De automatische start moet werken zonder handeling van een medewerker, de omschakeling moet binnen de ontwerptijd blijven en de motor moet onder belasting kunnen draaien. Dat laatste vraagt om proefdraaien met een echte of kunstmatige belasting, niet om vijf minuten stationair.
Voor de noodverlichting geldt dat het Bbl 15 seconden toestaat. Een aggregaat dat binnen die tijd op spanning en frequentie is, kan die installatie dus voeden. Verbruikers die geen enkele onderbreking verdragen, zoals de besturing van een rookbeheersingssysteem of een toegangscontrolesysteem, hebben daarnaast een UPS nodig die het gat tot de start van het aggregaat overbrugt.
Een distributiecentrum draaide het aggregaat elk kwartaal netjes proef, maar altijd handmatig met de startknop. Bij een echte netstoring bleek het automatische startsignaal al jaren niet aangesloten. Beproef daarom niet de motor maar de keten: onderbreek de netvoeding en kijk of alles vanzelf gebeurt.
SCIOS scope 4 en de keuringsplicht
Een aggregaat met een verbrandingsmotor is een stookinstallatie in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat betekent een wettelijke keuringsplicht bovenop het elektrische onderhoud, en die plicht wordt in magazijnen vaak gemist.
Volgens het Informatiepunt Leefomgeving is een stookinstallatie die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf is niet vrijgesteld. Voor noodvoorzieningen zoals aggregaten en sprinklerpompen is de frequentie ten minste eens per vier jaar, en eens per twee jaar bij waterstof. Een nieuwe installatie wordt binnen zes weken na ingebruikname voor het eerst gekeurd.
Het verbrandingsdeel valt onder scope 4 van SCIOS, verbrandingsmotoren en turbines. Dat is een andere scope dan die van de luchtverhitters in de hal. Hoe de scopes, het basisrapport en het afmelden precies werken, staat uitgewerkt in het artikel over de stookinstallatiekeuring in het magazijn.
Brandstofopslag en bodembescherming
Staat er een dieseltank bij het aggregaat, dan komt daar een derde regime bij. Voor het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger in een bovengrondse opslagtank gelden de regels van paragraaf 4.94 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Die regels gaan vooral over de bodem. De tank staat boven of in een lekbak, of is dubbelwandig uitgevoerd met een lekdetectiesysteem in de wand. Het aansluitpunt van de vulleiding zit boven een vloeistofdichte bodemvoorziening of boven een vulpuntmorsbak, met een inhoud van ten minste 5 liter als die op de tank zit en ten minste 65 liter als hij er los naast staat.
Bij een lekdetectiepot controleert u het vloeistofniveau ten minste eenmaal per maand en tekent u dat ten minste eenmaal per jaar aan in het logboek. Constateert u een gebrek, dan laat u het systeem binnen vier weken repareren door een onderneming met een certificaat voor BRL SIKB 7800. De volledige uitwerking staat bij IPLO.
Let ook op de melding: het is verboden deze activiteit te starten zonder dat ten minste vier weken van tevoren te melden. Een tank die is ingebouwd in de installatie zelf valt niet onder deze paragraaf, omdat zo'n procestank niet wordt gebruikt voor opslag. Laat die afbakening schriftelijk vastleggen, want de grens tussen opslagtank en procestank bepaalt uw verplichtingen.
Functietest, duurtest en intervallen
Het beproeven van noodverlichtingssystemen is geregeld in NEN-EN 50172, Noodverlichtingssystemen voor vluchtwegen. De editie van juli 2024 verving de versie uit 2004 en stelt eisen aan de installatie, de verificatie, de bedrijfsvoering, de onderhoudsdocumentatie en de beproeving. De lichttechnische eisen zelf staan in NEN-EN 1838, waarvan de editie uit 2025 de actuele is.
In de praktijk wordt daaraan invulling gegeven met een maandelijkse functietest en een jaarlijkse duurtest over de volledige brandduur. Onderstaande tabel zet de regimes naast elkaar die in een distributiecentrum tegelijk lopen.
| Onderdeel | Handeling | Interval | Vastlegging |
|---|---|---|---|
| Noodverlichtingsarmatuur | Functietest, korte omschakeling | Maandelijks | Logboek |
| Noodverlichtingsinstallatie | Duurtest over de volle brandduur | Jaarlijks | Logboek en rapport |
| Centrale batterijvoeding | Controle laadspanning, cellen en meldingen | Volgens leverancier, ten minste jaarlijks | Onderhoudsrapport |
| Noodstroomaggregaat | Proefdraaien onder belasting | Volgens leverancier, in de praktijk maandelijks | Logboek |
| Aggregaat, verbrandingsdeel | SCIOS scope 4-keuring | Eens per 4 jaar bij minder dan 500 draaiuren | Afmelding SCIOS |
| Elektrische installatie | NEN 3140-inspectie | Naar risico, in de praktijk jaarlijks | Inspectierapport |
| Vaste installatie | Periodieke verificatie NEN 1010 deel 6 | Voorbeeldtermijn 4 jaar | Verificatierapport |
| Brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie | Inspectiecertificaat | 3 jaar, 1 jaar bij verplichte doormelding | Certificaat |
De geldigheidsduur van die certificaten staat in de artikelen 6.32 en 6.33 van het Bbl en wordt gerekend vanaf de afgiftedatum. Voor een automatische blusinstallatie en een rookbeheersingssysteem is het inspectiecertificaat volgens artikel 6.36 een jaar geldig. Het Informatiepunt Leefomgeving zet die termijnen per installatie op een rij.
De NEN 3140-inspectie
Naast de installatiegerichte normen loopt het arboregime. Artikel 3.4 van het Arbobesluit eist dat elektrische installaties zo zijn ontworpen, aangelegd en onderhouden dat veilig gebruik zo goed mogelijk is gewaarborgd, en dat er duidelijke, steeds bijgewerkte schema's beschikbaar zijn.
Dat laatste is in distributiecentra een terugkerend struikelblok. Na een uitbreiding van de hal of een verplaatsing van een verdeelinrichting kloppen de tekeningen niet meer, terwijl juist de noodstroomgroepen daarop herkenbaar moeten zijn.
De praktische invulling loopt via de NEN 3140-inspectie. Vraag expliciet of de veiligheidsvoedingen, de omschakelinrichting en de laadinstallatie van de accu's in de scope zitten. Zo niet, dan is uw noodstroomvoorziening elektrisch niet beoordeeld, hoeveel armaturen er ook zijn afgevinkt.
Logboek en dossier
Voor bouwwerkinstallaties geldt de specifieke zorgplicht van artikel 2.6 van het Bbl: de installatie functioneert volgens de geldende regels, wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en wordt zo gebruikt dat er geen gevaar ontstaat. Zonder registratie kunt u dat niet aantonen.
Het logboek van de noodverlichting is daarvoor de basis. Neem er per beproeving in op wat er is getest, wanneer, door wie en met welke uitkomst, plus de opvolging van geconstateerde gebreken. Voeg voor het aggregaat de proefdraaigegevens en de SCIOS-afmelding toe en voor de tank de maandelijkse controles van de lekdetectie.
Zet vervolgens alle termijnen in een keuringskalender. Een noodstroomvoorziening kent intervallen van een maand tot vier jaar naast elkaar, en juist het interval van vier jaar overleeft zelden een wisseling van facilitair manager.
Veelgemaakte fouten
Drie fouten komen er in distributiecentra bovengemiddeld vaak uit, en alle drie zijn ze goedkoop te voorkomen.
De eerste is dat er nooit een echte duurtest is gedaan. Er staan keurig maandelijkse functietests in het logboek, maar niemand heeft de installatie ooit een uur op de accu laten branden. De 60 minuten uit het Bbl zijn daarmee niet aangetoond, en bij een oudere installatie is de kans groot dat ze niet worden gehaald.
De tweede is dat accu's ouder zijn dan hun ontwerplevensduur. De installatie is bij oplevering doorgemeten en daarna jarenlang niet aangeraakt. Warmte onder het dak van een hal versnelt dat verval, dus een armatuur boven een laaddock veroudert anders dan een armatuur in een kantoorgang.
De derde is een aggregaat dat niet automatisch start. Het proefdraaien gebeurt met de hand, waardoor het startsignaal, de omschakelinrichting en de accu van de startmotor nooit worden beproefd. Beproef daarom altijd de hele keten door de netvoeding echt te onderbreken.
Checklist noodstroomvoorziening
Loop deze punten af voordat u de volgende keuringsronde inplant. Ze dekken de vragen die een toezichthouder in de praktijk als eerste stelt.
- Inventariseer welke installaties op noodstroom staan en leg de benodigde overbruggingstijd per installatie vast.
- Stel vast of u decentrale accu's, een centrale voeding volgens NEN-EN 50171 of een aggregaat heeft, of een combinatie daarvan.
- Controleer of de noodverlichting binnen 15 seconden aan is en 60 minuten haalt, en toon dat aan met een duurtest.
- Registreer per armatuur het accutype en de productiedatum, en plan vervanging voordat de capaciteit onder de grens zakt.
- Controleer of een centrale voeding uitsluitend veiligheidsinstallaties voedt en geen bijgeplaatste verbruikers.
- Beproef het aggregaat door de netvoeding te onderbreken, zodat de automatische start wordt meegetest.
- Verifieer dat de SCIOS scope 4-keuring van het verbrandingsdeel is uitgevoerd en afgemeld.
- Bewaar logboek, beproevingsrapporten, inspectiecertificaten en de melding van de brandstoftank in een centraal dossier.
Loopt u vast op de vraag welke installatie onder welk regime valt, dan is dat bijna altijd een afbakeningsvraag en geen wetsvraag. Laat die afbakening schriftelijk vastleggen door de partij die keurt, want dat document is bij een controle net zo waardevol als het beproevingsrapport zelf.
Veelgestelde vragen
Voor noodverlichting is de eis hard en getalsmatig. Artikel 4.195 van het Besluit bouwwerken leefomgeving schrijft voor dat de noodverlichting binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux geeft, gemeten op de vloer of het tredevlak. Voor bestaande bouw geldt dezelfde eis via artikel 3.101. Voor andere installaties, zoals de brandmeldinstallatie en het ontruimingsalarm, volgt de benodigde overbruggingstijd uit de norm waarnaar het Bbl verwijst en uit het uitgangspuntendocument van die installatie. Die tijden zijn dus niet automatisch gelijk aan de 60 minuten van de noodverlichting.
Nee, de wet schrijft geen aggregaat voor. De wet schrijft een resultaat voor: bepaalde installaties moeten blijven werken als de netspanning wegvalt. Hoe u dat oplost is een ontwerpkeuze. In veel distributiecentra gebeurt dat met accu's in de armaturen en een eigen noodstroomvoorziening in de brandmeldcentrale, zonder aggregaat. Een aggregaat wordt pas noodzakelijk als er zwaardere verbruikers moeten blijven draaien, zoals een elektrisch aangedreven sprinklerpomp, een rookbeheersingssysteem met grote ventilatoren of een vriescel waarvan de inhoud niet mag ontdooien. Kijk dus eerst naar de installaties en pas daarna naar de techniek.
Een functietest schakelt het armatuur kort over naar accubedrijf en toont aan dat de lamp gaat branden en dat de omschakeling werkt. Een duurtest laat het armatuur of de installatie de volledige voorgeschreven brandduur op de accu branden en toont aan dat die tijd ook echt wordt gehaald. Dat verschil is in de praktijk groot. Een verouderde accu levert nog wel spanning, waardoor de functietest slaagt, maar houdt het na twintig minuten voor gezien. Alleen de duurtest maakt zichtbaar dat de installatie de 60 minuten uit het Bbl niet meer haalt. Beide tests horen met datum en uitkomst in het logboek.
Ja. Een noodstroomaggregaat met een verbrandingsmotor is een stookinstallatie in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een stookinstallatie die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf is, is nadrukkelijk niet vrijgesteld van de keuringsplicht. Voor noodvoorzieningen zoals aggregaten en sprinklerpompen geldt een keuringsfrequentie van eens per vier jaar, en eens per twee jaar als de installatie waterstof verbrandt. Het verbrandingsdeel valt onder SCIOS scope 4, verbrandingsmotoren en turbines. Dat is een andere scope dan die van de luchtverhitters in de hal, dus een bedrijf dat alleen scope 1 of 2 doet mag uw aggregaat niet keuren.
Beide, elk vanuit een eigen wet. De gemeente of omgevingsdienst handhaaft het Besluit bouwwerken leefomgeving, waaronder de 60 minuten noodverlichting en de inspectiecertificaten van brandveiligheidsinstallaties. De Nederlandse Arbeidsinspectie handhaaft het Arbeidsomstandighedenbesluit, waaronder de eis dat slecht zichtbare vluchtwegen adequate noodverlichting hebben en dat werkplekken met bijzondere gevaren bij uitval van kunstlicht verlicht blijven. Voor het aggregaat als stookinstallatie is de omgevingsdienst weer aan zet. Ga er dus niet vanuit dat goedkeuring door de ene toezichthouder u dekking geeft bij de andere, want zij kijken naar verschillende bepalingen.
Nee, dat is nadrukkelijk niet de bedoeling. NEN-EN 50171 gaat ervan uit dat de voeding van een centraal veiligheidsvoedingssysteem uitsluitend is bestemd voor essentiele veiligheidsinstallaties en niet voor andere soorten belastingen, zoals algemene IT- of industriele systemen. Ook mag een storing in de ene groep niet leiden tot onderbreking van een andere groep die veiligheidsinstallaties voedt. In de praktijk sluipt hier de meeste ellende in: er hangt na een verbouwing een server, een camerasysteem of een automaat achter, waardoor de gegarandeerde autonomie niet meer klopt. Controleer daarom bij elke wijziging de belastingberekening van het systeem.
Er staat geen wettelijke vervangingstermijn in het Bbl. De brancherichtlijn gaat uit van preventieve vervanging vier jaar na de productiedatum van de accu, tenzij de fabrikant een andere levensduur opgeeft. Dat is een praktische ondergrens, want capaciteitsverlies door ouderdom en warmte gaat sneller dan de meeste beheerders verwachten. In een magazijn met warme luchtstromen onder het dak of armaturen boven een laaddock kan die veroudering afwijken van de opgave van de fabrikant. Registreer daarom per armatuur het accutype en de productiedatum, zodat u de vervanging kunt plannen in plaats van moet afwachten tot de duurtest hem afkeurt.
Minimaal vier dingen. Ten eerste de uitgangspunten: welke installaties op noodstroom staan, welke overbruggingstijd is aangehouden en welke berekening daaronder ligt. Ten tweede de installatiegegevens: revisietekeningen, groepenoverzicht, typen armaturen, accutypen en productiedata. Ten derde de beproevingshistorie: alle functietests en duurtests met datum, uitvoerder en uitkomst, plus de proefdraaigegevens van het aggregaat. Ten vierde de externe bewijsstukken: het inspectiecertificaat van de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie, het NEN 3140-inspectierapport en de SCIOS-afmelding van het verbrandingsdeel. Toezichthouders vragen bijna altijd eerst naar de laatste duurtest en daarna pas naar de rest.