Is kalibratie verplicht?
Het korte antwoord: nergens in NEN 3140 staat dat u uw meetinstrumenten moet laten kalibreren. Dat verrast mensen die de norm openslaan met precies die vraag.
Het langere antwoord is dat het er niet toe doet. Het Arbobesluit eist in artikel 7.4a dat arbeidsmiddelen aantoonbaar in goede staat verkeren. Een meetwaarde van een instrument waarvan niemand de nauwkeurigheid kent, toont niets aan.
Daar komt bij dat elk kwaliteitssysteem dat u tegenkomt, van ISO 9001 tot de meeste certificatieschema's, kalibratie van meetmiddelen wel expliciet voorschrijft. Zodra u voor derden keurt of gecertificeerd bent, is de discussie voorbij.
De juiste vraag is dus niet of het moet, maar wat u wilt kunnen bewijzen als een inspectie of een verzekeraar naar uw meetgegevens vraagt.
Wat NEN-EN 61557 eist
De norm die de meetinstrumenten zelf regelt, is NEN-EN-IEC 61557. Die reeks legt vast waaraan meet-, controle- en bewakingsapparatuur voor elektrische installaties moet voldoen.
De delen behandelen elk een grootheid: isolatieweerstand, aardverspreidingsweerstand, doorverbindingsweerstand van beschermingsleidingen, lekstroom, impedantie van de foutlus en de beproeving van aardlekschakelaars.
Per grootheid schrijft de norm een maximale bedrijfsmeetonzekerheid voor. Dat is de totale onzekerheid onder praktijkomstandigheden, inclusief temperatuur, batterijspanning en netspanningsvariatie, niet alleen de laboratoriumnauwkeurigheid uit de folder.
Een instrument dat daar niet aan voldoet, is niet geschikt voor NEN 3140-metingen. Dat geldt ook voor goedkope multimeters die op papier hetzelfde meten maar de gespecificeerde testspanningen en meetstromen niet leveren.
Kalibreren, justeren en verifiëren
Drie woorden die door elkaar worden gebruikt en drie verschillende handelingen aanduiden. Het onderscheid bepaalt wat u besteld heeft en wat u terugkrijgt.
Kalibreren is vergelijken en vastleggen. Het instrument gaat naast een nauwkeuriger referentie, de afwijking wordt per meetpunt gemeten en vastgelegd in een certificaat. Er wordt niets aangepast.
Justeren is bijstellen. Blijkt uit de kalibratie dat het instrument buiten specificatie meet, dan kan het worden afgeregeld zodat het weer klopt. Dit is een aparte opdracht en meestal een aparte factuurregel.
Verifiëren is een lichtere controle waarbij u alleen vaststelt of het instrument binnen bepaalde grenzen blijft, zonder de volledige documentatie van een kalibratie.
Vraag bij uitbesteding altijd om kalibratie als gevonden en als achtergelaten. Zonder de eerste meting weet u niet of het instrument het afgelopen jaar goed heeft gemeten.
Meetonzekerheid in de praktijk
Meetonzekerheid is geen theoretisch begrip; het bepaalt of u een installatie mag goedkeuren. Een gemeten isolatieweerstand die net boven de grenswaarde uitkomt, ligt met de onzekerheid meegerekend mogelijk eronder.
Dat betekent dat u bij randgevallen niet naar het displaygetal moet kijken maar naar het interval eromheen. Een instrument met een grotere onzekerheid dwingt u tot strengere interne grenzen.
Deze afweging hoort thuis bij de vakbekwaam persoon die de metingen beoordeelt. Het is precies het verschil tussen iemand die meet en iemand die keurt.
Welk kalibratie-interval?
Eenmaal per twaalf maanden is de praktijkstandaard en het advies van vrijwel alle fabrikanten. Het is ook het interval waar auditors en opdrachtgevers zonder discussie mee akkoord gaan.
Toch is dat interval geen wet. Het is een risicoafweging die u zelf onderbouwt op basis van gebruiksintensiteit, omgevingscondities en de consequenties van een foute meting.
Een tester die dagelijks in een bestelbus meereist, in de winter bevriest en in de zomer in de zon ligt, verdient zes tot negen maanden. Een instrument dat in een klimaatkast op kantoor staat en tien keer per jaar wordt gebruikt, kan langer mee.
Los daarvan geldt altijd een aanleiding-gedreven kalibratie. Valt het instrument, wordt het nat, of geeft het waarden die u niet verwacht, dan gaat het weg, ongeacht de datum op de sticker.
Welke instrumenten kalibreert u?
Niet alles hoeft. De vuistregel: elk instrument waarvan het meetresultaat in een keuringsrapport terechtkomt of tot een goed- of afkeur leidt.
Dat betreft in de eerste plaats de installatietester en de arbeidsmiddelentester, inclusief de functies voor isolatieweerstand, beschermingsleiding, lekstroom en de test van de aardlekschakelaar.
Daarnaast tangstroommeters die voor lekstroommetingen worden gebruikt, en warmtebeeldcamera's waarmee u thermografische inspecties uitvoert en temperatuurgrenzen hanteert.
Spanningszoekers en tweepolige spanningstesters vallen in een andere categorie: die gebruikt u voor veiligheid, niet voor rapportage. Daar geldt een functionele controle vóór en na gebruik, niet per se een kalibratiecertificaat.
Wat op een kalibratiecertificaat hoort
Een certificaat dat alleen meldt dat het instrument is goedgekeurd, is voor kwaliteitsdoeleinden bijna waardeloos. U wilt zien hoe dicht het tegen de grens aan zat.
Op een bruikbaar certificaat staan de identificatie van het instrument met serienummer, de kalibratiedatum, de gebruikte referentiestandaarden met hun traceerbaarheid, de meetwaarden per meetpunt, de opgegeven meetonzekerheid en de uitspraak over conformiteit.
Ontbreken de meetwaarden, dan kunt u de trend niet volgen. En juist die trend is bruikbaar: een instrument dat drie jaar achtereen dezelfde kant op drift, kunt u vervangen voordat het buiten tolerantie valt.
Bewaar certificaten bij uw overige arbeidsmiddelenregistratie, zodat u bij een audit het instrument en het bijbehorende keuringsrapport aan elkaar kunt koppelen.
Traceerbaarheid en accreditatie
Kalibratie heeft alleen betekenis als de referentie waaraan wordt gemeten zelf betrouwbaar is. Die keten heet traceerbaarheid en loopt via steeds nauwkeuriger standaarden naar de nationale meetstandaarden.
Laboratoria die daarvoor zijn geaccrediteerd, werken volgens ISO/IEC 17025 en staan onder toezicht van de Raad voor Accreditatie. Hun certificaten dragen het accreditatiemerk en vermelden de scope waarvoor dat geldt.
Een niet-geaccrediteerde kalibratie is niet automatisch fout, maar u koopt er minder zekerheid mee. Voor een instrument dat rapporten voedt waarop derden vertrouwen, is een geaccrediteerd certificaat de veiliger keuze.
Als een instrument buiten tolerantie valt
Dit is het scenario waar niemand rekening mee houdt en waarvoor het certificaat als gevonden onmisbaar is. Blijkt bij kalibratie dat het instrument buiten specificatie meet, dan zijn alle metingen sinds de vorige geldige kalibratie in twijfel.
Beoordeel eerst richting en grootte van de afwijking. Een instrument dat systematisch te gunstig meet, kan situaties hebben goedgekeurd die feitelijk afgekeurd hadden moeten worden. Meet het te ongunstig, dan heeft u hooguit onnodig vervangen.
Selecteer vervolgens de kritische metingen: alles wat dicht bij een grenswaarde uitkwam en alles wat betrekking had op installaties met een hoog risico. Die herkeurt u.
Leg de hele afweging schriftelijk vast, inclusief wat u wel en niet opnieuw heeft gemeten en waarom. Dit is het soort besluit dat na een incident als eerste wordt teruggezocht, en een gedocumenteerde afweging is dan uw beste verdediging.
Tussentijdse controle zelf uitvoeren
Tussen twee kalibraties zit een jaar waarin u eigenlijk niet weet wat uw instrument doet. Dat gat kunt u grotendeels dichten met een eenvoudige eigen controle.
Schaf een set bekende referentieweerstanden of een controlebox aan en meet die met een vaste frequentie, bijvoorbeeld maandelijks of aan het begin van elke keuringsweek. Noteer de waarden in een logboek.
Wijkt een meting af van wat u gewend bent, dan weet u dat direct in plaats van elf maanden later. Deze routine kost een paar minuten en voorkomt het scenario uit de vorige paragraaf.
Het is nadrukkelijk geen vervanging van kalibratie. Uw referentieweerstanden zijn zelf niet traceerbaar gekalibreerd, dus het levert geen certificaat op, alleen vroege waarschuwing.
Uitbesteed keuren: wat u mag vragen
Besteedt u de NEN 3140-keuring uit, dan verschuift de kalibratieplicht naar uw dienstverlener. De verantwoordelijkheid voor een deugdelijk keuringsrapport blijft echter bij u als werkgever liggen.
Vraag daarom standaard om een kopie van het geldige kalibratiecertificaat van de instrumenten waarmee bij u is gemeten, met serienummer. Dat is een normale vraag en een serieuze partij heeft het binnen een dag.
Controleer of het serienummer op het certificaat overeenkomt met het instrument dat in het keuringsrapport is vermeld. Als het rapport geen instrument vermeldt, is dat op zichzelf al een signaal.
Neem deze eis op in uw inkoopvoorwaarden. Dat scheelt discussie op het moment dat het ertoe doet, en dat moment is nooit gunstig gekozen.
Kosten en doorlooptijd
Kalibratie van een installatietester of arbeidsmiddelentester kost doorgaans enkele honderden euro's per instrument per jaar, afhankelijk van het aantal functies en of het geaccrediteerd gebeurt.
De doorlooptijd is meestal enkele werkdagen tot twee weken. Dat is relevant als u maar één instrument heeft: uw keuringen staan dan stil. Ruilinstrumenten of een tweede tester lossen dat op.
Plan kalibratie in een rustige periode en niet vlak voor een audit of een piekweek. Het is voorspelbaar werk, en voorspelbaar werk hoort in de keuringskalender.
Vijf valkuilen
Denken dat de sticker het bewijs is. De sticker toont de vervaldatum, het certificaat toont de meetwaarden. Auditors vragen om het tweede.
Alleen 'als achtergelaten' laten kalibreren. Zonder de meting bij binnenkomst weet u niet of het afgelopen jaar betrouwbaar is geweest.
Meetonzekerheid negeren bij randgevallen. Een waarde net boven de grens is geen goedkeuring als de onzekerheid groter is dan de marge.
Een gewone multimeter gebruiken voor NEN 3140-metingen. Die levert de vereiste testspanningen en meetstromen niet en voldoet niet aan NEN-EN 61557.
Het certificaat van uw keurpartner nooit opvragen. U blijft verantwoordelijk voor de deugdelijkheid van het rapport dat in uw dossier belandt.
Zo regelt u het
Maak eerst een lijst van alle instrumenten waarvan meetwaarden in rapporten terechtkomen, met merk, type en serienummer. Meestal zijn dat er minder dan verwacht.
Bepaal per instrument een interval en onderbouw dat kort: twaalf maanden als standaard, korter bij intensief of ruw gebruik. Zet de vervaldata in dezelfde kalender waarin uw overige keuringen staan.
Richt daarnaast een lichte tussentijdse controle in met een referentieset, en leg de uitkomsten in een logboek vast. Vijf minuten per maand is voldoende.
Neem tot slot in uw inkoopvoorwaarden op dat externe keurpartijen op verzoek het kalibratiecertificaat overleggen van het instrument waarmee bij u is gemeten. Daarmee sluit u de keten van het rapport tot de meting.
Veelgestelde vragen
Niet letterlijk. Noch de Arbowet, noch het Arbobesluit, noch NEN 3140 zelf bevat een artikel dat kalibratie voorschrijft. De verplichting ontstaat indirect: het Arbobesluit eist dat elektrische arbeidsmiddelen aantoonbaar veilig zijn, en een meetresultaat van een instrument waarvan de nauwkeurigheid niet vaststaat, toont niets aan. Daarnaast eisen kwaliteitssystemen zoals ISO 9001 en vrijwel alle certificatieschema's kalibratie wel expliciet. Wie voor derden keurt, komt er in de praktijk niet onderuit.
Kalibreren is het vergelijken van uw instrument met een nauwkeuriger referentie en het vastleggen van de afwijking. Het instrument wordt daarbij niet aangepast; u krijgt een certificaat met de gemeten waarden en de bijbehorende meetonzekerheid. Justeren is het daadwerkelijk bijstellen van het instrument zodat het weer binnen specificatie meet. Een kalibratie kan tot de conclusie leiden dat justeren nodig is, maar het is een aparte handeling die u meestal apart moet aanvragen.
Eenmaal per jaar is het gangbare interval en wat de meeste fabrikanten adviseren. Bij intensief gebruik, transport in een bestelbus, stof, vocht of temperatuurwisselingen is zes tot negen maanden verstandiger. Het interval is geen wettelijk gegeven maar een risicoafweging die u zelf onderbouwt. Val het instrument, raakt het nat of geeft het onverwachte waarden, dan kalibreert u tussentijds, ongeacht wanneer het laatste certificaat is afgegeven.
NEN-EN-IEC 61557 is de normenreeks die de eisen vastlegt voor meet-, controle- en bewakingsapparatuur waarmee de veiligheid van elektrische installaties wordt getoetst. De delen behandelen onder meer isolatieweerstand, aardverspreidingsweerstand, doorverbindingsweerstand, lekstroom en de werking van aardlekschakelaars. Per grootheid schrijft de norm een maximale bedrijfsmeetonzekerheid voor. Voldoet uw instrument daar niet aan, dan is het niet geschikt voor NEN 3140-metingen, hoe fraai het display er ook uitziet.
Minimaal: de identificatie van het instrument met serienummer, de datum van kalibratie, de gebruikte referentiestandaarden met hun traceerbaarheid, de gemeten waarden per meetpunt, de opgegeven meetonzekerheid en een uitspraak of het instrument binnen specificatie valt. Een certificaat dat alleen 'goedgekeurd' meldt zonder meetwaarden is voor kwaliteitsdoeleinden onvoldoende, omdat u dan niet kunt zien hoe dicht het instrument tegen de grens aan zat.
Dan ontstaat een terugwerkend probleem. Alle metingen sinds de vorige geldige kalibratie zijn in principe onbetrouwbaar. Beoordeel eerst hoe groot de afwijking is en in welke richting: een instrument dat te gunstig meet, kan afgekeurde situaties als goed hebben gerapporteerd. Bepaal daarna welke keuringen kritisch waren, bijvoorbeeld metingen die dicht bij een grenswaarde uitkwamen, en herkeur die. Leg de afweging schriftelijk vast, want dit is precies het soort besluit dat later wordt teruggezocht.
Tussentijdse controles wel, volledige kalibratie in de regel niet. Een eigen controle met een bekende referentieweerstand of een controlebox laat zien of het instrument nog in de buurt zit, en is een prima maandelijkse routine. Voor een certificaat met traceerbare meetonzekerheid heeft u referentiestandaarden nodig die zelf weer traceerbaar gekalibreerd zijn, plus een gecontroleerde omgeving. Dat is de reden waarom vrijwel iedereen dit uitbesteedt aan een geaccrediteerd laboratorium.