Wat bodembescherming inhoudt
Bodembescherming gaat over het voorkomen dat stoffen uit uw bedrijfsproces in de grond of het grondwater terechtkomen. Het is milieuwetgeving en geen arbeidsomstandighedenwetgeving, wat betekent dat de omgevingsdienst hierop toeziet en niet de Arbeidsinspectie.
In een magazijn of distributiecentrum leeft het onderwerp vaak niet, omdat er geen productie plaatsvindt. Toch staan er in vrijwel elk logistiek pand een paar plekken waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt of opgeslagen: de opslag van gevaarlijke stoffen, de technische dienst, de accu-laadplaats en de afvalcontainers buiten.
De kern van de regelgeving is eenvoudig. Waar bodembedreigende stoffen zijn, hoort een fysieke constructie die morsingen en lekkages opvangt. Die constructie heet een bodembeschermende voorziening en daar horen eisen, controles en soms een keuring bij.
Vloeistofkerend of vloeistofdicht
Het onderscheid tussen kerend en dicht is het meest misbegrepen punt in dit dossier. Een vloeistofkerende voorziening houdt een stof tijdelijk tegen, lang genoeg om hem op te ruimen. Een vloeistofdichte voorziening houdt vloeistoffen permanent tegen, ook bij langdurige belasting.
Het Besluit activiteiten leefomgeving gebruikt het begrip vloeistofkerend niet meer. Bijlage I van het Bal kent alleen nog de vloeistofdichte bodemvoorziening, de aaneengesloten bodemvoorziening, de elementenbodemvoorziening, de lekbak, het geomembraanbaksysteem en de vulpuntmorsbak.
Het verschil tussen die eerste drie is precies te benoemen. Bij een aaneengesloten bodemvoorziening zijn naden en onderbrekingen gedicht, bijvoorbeeld met kit of voegmiddel. Bij een elementenbodemvoorziening zijn ze dat niet, zoals bij losse klinkers of ongekitte stelconplaten.
Wanneer uw magazijn eronder valt
Of u een bodembeschermende voorziening nodig heeft, hangt niet af van het type gebouw maar van de activiteit die u erin verricht. Hoofdstuk 3 van het Bal wijst per milieubelastende activiteit aan welke paragrafen uit hoofdstuk 4 en 5 van toepassing zijn.
In een logistiek pand zijn dit de terugkerende aandachtspunten.
| Plek in het magazijn | Bodembedreigende stof | Aandachtspunt |
|---|---|---|
| Opslag gevaarlijke stoffen | Vloeibare gevaarlijke stoffen, oliën | Productopvang van 110 procent van de grootste verpakking |
| Accu-laadplaats tractiebatterijen | Zwavelzuur uit loodaccu's | Opvang onder de laadplaats en spoelmogelijkheid |
| Afleverplaats brandstof | Diesel, benzine, AdBlue | Vanaf 25 m3 per jaar vloeistofdichte voorziening verplicht |
| Werkplaats technische dienst | Smeerolie, hydrauliekolie, reinigers | Opvang onder werkbank en bij olieopslag |
| Koelinstallatie en compressoren | Koelolie, glycol | Lekbak onder machinekamer of buitenunit |
| Afvalcontainers buiten | Perssap, restvloeistoffen | Verharding onder en rond de container |
Bij het afleveren van brandstof ligt de grens scherp. Blijft het totale getankte volume onder 25 m3 per jaar, dan valt u onder kleinschalig tanken en volstaat een aaneengesloten bodemvoorziening. Daarboven geldt grootschalig tanken en is een vloeistofdichte bodemvoorziening verplicht, aangelegd door een bedrijf met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7700.
Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen sluit het Bal aan bij de PGS 15. De opvangcapaciteit is daar ten minste 110 procent van de grootste verpakking in de opslagvoorziening, en ten minste 10 procent van de totale inhoud van alle aanwezige verpakkingen als dat een groter volume oplevert.
Van NRB naar BB-cvm
Jarenlang was de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming het ijkpunt. De NRB introduceerde het begrip verwaarloosbaar bodemrisico en het idee dat u dat bereikt met een combinatie van voorzieningen en maatregelen, kortweg cvm.
Die systematiek is intact gebleven, de status van het document niet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de NRB ingetrokken als document met beste beschikbare technieken. De opvolger heet Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen, afgekort BB-cvm, en is opgenomen in bijlage XVIII onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De logica van voorziening plus maatregel blijft de kern. Een vloer alleen is niet genoeg: er hoort een werkwijze bij. Absorptiekorrels binnen handbereik, een instructie wie wat opruimt, en een vloer die na gebruik wordt gereinigd. Die combinatie bepaalt of het bodemrisico daadwerkelijk verwaarloosbaar is.
Valt uw activiteit onder de algemene regels van het Bal, dan hoeft u het BB-cvm niet zelf te raadplegen. Het Bal geeft dan per activiteit al aan wat de minimale voorziening is. Bij vergunningplichtige activiteiten gebruikt de vergunningverlener het BB-cvm wel als toetsingskader.
Het Bal en de zorgplicht
De inhoudelijke eisen aan bodembeschermende voorzieningen staan in paragraaf 5.4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Die paragraaf werkt niet zelfstandig: hij geldt alleen als hoofdstuk 3 of 4 van het Bal hem voor uw activiteit aanwijst.
Uit die paragraaf komen drie concrete verplichtingen die in een magazijn vrijwel altijd spelen. Een lekbak heeft een opvangcapaciteit van ten minste 110 procent van de grootste verpakkingseenheid of opslagtank en ten minste 10 procent van alle opgeslagen stoffen samen. Een lekbak mag niet zijn aangesloten op het vuilwaterriool. En voor alle bodembeschermende voorzieningen houdt u een logboek bij met controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
De specifieke zorgplicht vult de rest in
Artikel 2.11 van het Bal bevat de specifieke zorgplicht. Die verplicht onder meer tot alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging, tot het toepassen van de beste beschikbare technieken en tot het redelijkerwijs mogelijk houden van herstel van de bodem.
Onder die zorgplicht vallen de maatregelen die het Bal niet letterlijk voorschrijft: voldoende opvangcapaciteit, bestendigheid tegen de stoffen die erboven staan, heldere werkinstructies bij morsen en genoeg absorptiemateriaal om snel op te ruimen. Dat sluit direct aan op orde en netheid in het magazijn, dat in dit dossier geen zachte doelstelling is maar een wettelijk verankerde maatregel.
Inspectie volgens AS SIKB 6700
Een vloeistofdichte bodemvoorziening moet worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700. Die beoordeling vindt ten minste eens per zes jaar plaats.
Het startmoment verschilt. Is de voorziening aangelegd door een onderneming met een erkenning voor BRL SIKB 7700, dan hoeft de eerste beoordeling pas zes jaar na aanleg plaats te vinden. Is dat niet zo, dan wordt de voorziening zo spoedig mogelijk na aanleg beoordeeld en daarna elke zes jaar opnieuw.
De consequentie van niet keuren is scherper dan veel bedrijven denken. Een vloeistofdichte bodemvoorziening die niet wordt gekeurd, gecontroleerd of beoordeeld, geldt volgens het bevoegd gezag als een aaneengesloten bodemvoorziening. U verliest dan het beschermingsniveau op papier, ook als de vloer fysiek nog prima is.
De protocollen 6701, 6702 en 6703
Onder het accreditatieschema AS SIKB 6700 hangen meerdere inspectieprotocollen. Welke van toepassing is, hangt af van het type voorziening en de meetmethode. De inspectie-instelling moet voor het betreffende protocol zijn erkend.
| Protocol | Methode | Typische toepassing |
|---|---|---|
| 6701 | Visuele inspectie vloeistofdichtheid | Beton- en asfaltvloeren, verhardingen |
| 6702 | Geo-elektrische meting | Voorzieningen met een geo-elektrisch meetsysteem |
| 6703 | Hydrologische meting | Bedrijfsriolering en putten |
| 6704 | Meting met luchttestsysteem | Leidingdelen en afgesloten systemen |
| 6711 | Visuele inspectie minerale lagen | Voorzieningen met een minerale afdichtlaag |
De huidige versies van het schema en de protocollen zijn in werking sinds 1 januari 2024, na verwerking van wijzigingsblad 1-01 dat de teksten in overeenstemming bracht met de Omgevingswet. Protocol 6703 draait sinds die datum in versie 3.1 en protocol 6704 is per die datum toegevoegd.
Vraag bij een offerte expliciet welke protocollen zijn inbegrepen. Een inspectie die alleen protocol 6701 dekt, laat de bedrijfsriolering ongemoeid, en dat is precies het deel dat u niet kunt zien.
De verklaring en de zesjaarstermijn
Het resultaat van een geslaagde inspectie is een inspectierapport met daarbij een verklaring vloeistofdichte voorziening. Die verklaring heette vroeger de PBV-Verklaring Vloeistofdichte Voorziening, en die aanduiding hoort u in de praktijk nog steeds.
De verklaring is een momentopname: zij bevestigt dat de voorziening op het moment van afgifte voldoet aan de eisen uit de AS SIKB 6700. Omdat de beoordeling ten minste eens per zes jaar plaatsvindt, werkt de verklaring in de praktijk zes jaar vooruit.
Die zes jaar is echter voorwaardelijk. De verklaring blijft alleen bruikbaar als u in de tussenliggende jaren aantoonbaar controleert en onderhoudt. Bewaar de verklaring, het onderliggende inspectierapport en de controlebewijzen bij elkaar, en zet de vervaldatum in uw keuringskalender naast de andere periodieke verplichtingen.
De jaarlijkse eigen controle
Naast de zesjaarlijkse beoordeling geldt een jaarlijkse controle op gebreken. Die controle heet in de praktijk de bedrijfsinterne controle en moet worden uitgevoerd volgens bijlage 6 bij de AS SIKB 6700.
U mag die controle zelf doen. Dat is een bewuste keuze van de wetgever: de gebruiker van de vloer ziet de scheuren, de losgekomen kitvoegen en de beschadigde putranden het eerst. U mag hem ook uitbesteden aan een inspectie-instelling, maar verplicht is dat niet.
Wat wel telt, is de vastlegging. Noteer de datum, de uitvoerder, de bevindingen per deelvlak en de opvolging van eerder geconstateerde gebreken. Zonder die vastlegging is niet aantoonbaar dat de controle heeft plaatsgevonden, en een niet-aantoonbare controle telt bij een inspectie niet mee.
Aanrijdschade is de grootste veroorzaker van gebreken aan een vloeistofdichte vloer in een distributiecentrum. Heftruckvorken die de vloer raken, palletboxen die worden neergesmakt en containerpoten die op de verharding drukken, veroorzaken scheuren en beschadigde voegen. Neem de laad- en losplaatsen en de rijroutes daarom expliciet op in de jaarlijkse ronde.
Bedrijfsriolering en olieafscheider
Een vloeistofdichte vloer die op een bedrijfsriool loost, maakt dat riool onderdeel van de voorziening. Het vuilwaterriool moet vloeistofdicht zijn vanaf de aansluiting op de vloeistofdichte bodemvoorziening tot aan de slibvangput en de olieafscheider.
Dat deel wordt in hetzelfde zesjaarlijkse ritme beoordeeld en goedgekeurd. Is een beoordeling volgens AS SIKB 6700 redelijkerwijs niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat meerdere strengen samenkomen en niet zijn af te sluiten voor een hydrologische test, dan kan het ondergrondse deel worden beoordeeld volgens CUR-rapport 2001-3. Die route staat alleen open voor riolering die is aangelegd voor de inwerkingtreding van het Bal.
Voor bestaande riolering gold een overgangsregime van drie jaar na de inwerkingtreding van het Bal. Dat betekent dat de vrijstelling voor het vloeistofdichte deel van het vuilwaterriool is verlopen en dat de inspectieverplichting inmiddels volledig van kracht is. Wie het riool nooit heeft laten beoordelen, heeft op dit punt een openstaande verplichting.
Incidenten en het bedrijfsnoodplan
Een voorziening werkt alleen als er ook op wordt gehandeld. Incidentenmanagement is in de systematiek van voorziening plus maatregel geen bijzaak maar een volwaardig onderdeel van het beschermingsniveau.
Leg vast wie bij een morsing wat doet, waar het absorptiemateriaal staat, hoe het opgeruimde materiaal wordt afgevoerd en wanneer u het bevoegd gezag informeert. Brandbare vloeistoffen moeten direct worden opgeruimd, omdat daar naast een bodemrisico ook een veiligheidsrisico speelt.
Neem de bodemcomponent expliciet op in uw calamiteitenplan. Bij een brand in een opslag van gevaarlijke stoffen ontstaat verontreinigd bluswater, en de vraag waar dat blijft, is er een die u vooraf moet beantwoorden en niet tijdens het incident.
Denk daarbij ook aan de installaties die zelden aandacht krijgen. De machinekamer van een koelinstallatie bevat koelolie, en een laadstation voor accu's kent zijn eigen morsrisico's.
Wat de omgevingsdienst controleert
Het bevoegd gezag is de gemeente of de omgevingsdienst. Dat is een ander loket dan bij de meeste verplichtingen uit de wet- en regelgeving voor magazijnen, die uit de Arbowet voortkomen en door de Arbeidsinspectie worden gehandhaafd.
Een controle begint vrijwel altijd bij het dossier. De toezichthouder vraagt om de verklaring vloeistofdichte voorziening, om het logboek met de jaarlijkse controles en de reparaties, en om de plattegrond waarop staat waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, opgeslagen, gemaakt of uitgestoten.
Die plattegrond is een zelfstandige verplichting. Voor het begin van een bodembedreigende activiteit levert u hem ten minste vier weken van tevoren aan bij het bevoegd gezag. Wijzigt de locatie van de activiteit, dan geeft u binnen vier weken na de wijziging een aangepaste plattegrond door en moet op de oude locatie een eindonderzoek bodem plaatsvinden.
Handhaving verloopt bestuursrechtelijk. In de regel volgt eerst een aanschrijving met een hersteltermijn, daarna een last onder dwangsom. Het aanleggen van een vloeistofdichte bodemvoorziening door een bedrijf zonder erkenning bodemkwaliteit is bovendien in strijd met artikel 15 van het Besluit bodemkwaliteit en kan een economisch delict opleveren.
Nulsituatie en eindsituatie
Bij huur en overdracht van een pand komt het bodemdossier op tafel. Twee onderzoeken spelen daarbij een rol en ze worden regelmatig door elkaar gehaald.
Het nulsituatie-onderzoek legt de bodemkwaliteit vast voordat u met een bodembedreigende activiteit begint. Voor activiteiten onder de algemene regels van het Bal is dat onderzoek niet verplicht. Het is wel verplicht bij een aantal vergunningplichtige activiteiten, waaronder het exploiteren van een IPPC-installatie, en dan hoort het rapport bij de vergunningaanvraag.
Het eindonderzoek bodem uit paragraaf 5.2.1 van het Bal volgt bij beëindiging van de activiteit. Het rapport gaat binnen zes maanden na beëindiging naar het bevoegd gezag. Blijkt de bodem verontreinigd of aangetast door de activiteit, dan moet u de kwaliteit uiterlijk zes maanden na verzending van het rapport hebben hersteld.
Beide onderzoeken volgen NEN 5725 voor het vooronderzoek en NEN 5740 voor het verkennend bodemonderzoek op de landbodem. Het veldwerk gebeurt door een bedrijf met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of AS SIKB 2000 en de analyses door een laboratorium met een erkenning voor AS SIKB 3000.
Hier zit het financiële belang van de nulmeting. Ligt de uitgangssituatie niet vast en is er geen geldende bodemkwaliteitskaart, dan wordt hersteld tot de kwaliteitsklasse landbouw of natuur. U betaalt dan mogelijk voor verontreiniging die er al lag toen u het pand betrok.
Checklist bodembescherming
Loop deze punten af voordat de omgevingsdienst langskomt of voordat u een huurcontract tekent. Ze dekken de vragen die in de praktijk als eerste worden gesteld.
- Inventariseer alle plekken waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, opgeslagen of gemaakt en leg ze vast op een plattegrond.
- Bepaal per plek welke bodembeschermende voorziening het Bal voorschrijft en of die er daadwerkelijk ligt.
- Controleer of er voor elke vloeistofdichte voorziening een geldige verklaring aanwezig is met het bijbehorende inspectierapport.
- Zet de zesjaarlijkse beoordelingsdatum per voorziening in uw keuringskalender, inclusief het vloeistofdichte deel van de bedrijfsriolering.
- Plan de jaarlijkse bedrijfsinterne controle volgens bijlage 6 van de AS SIKB 6700 op een vast moment en wijs een uitvoerder aan.
- Houd een logboek bij met controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties, digitaal of op papier.
- Controleer of lekbakken 110 procent van de grootste verpakkingseenheid opvangen en niet zijn aangesloten op het vuilwaterriool.
- Leg bij huur of overdracht een nulsituatie-onderzoek volgens NEN 5740 vast en vraag het volledige bodemdossier van de vorige gebruiker op.
Blijft u hangen op de vraag of uw vloer wel of niet vloeistofdicht is, dan is dat vrijwel altijd een dossiervraag en geen bouwkundige vraag. Zonder geldige verklaring is de vloer juridisch geen vloeistofdichte voorziening, hoe goed hij er ook uitziet.
Veelgestelde vragen
Een vloeistofkerende voorziening houdt gemorste stoffen tijdelijk tegen, lang genoeg om ze op te ruimen voordat ze de bodem bereiken. Een vloeistofdichte voorziening houdt vloeistoffen permanent tegen, ook bij langdurige belasting. Het Besluit activiteiten leefomgeving gebruikt het begrip vloeistofkerend overigens niet meer. In plaats daarvan kent het de aaneengesloten bodemvoorziening, waarvan naden en onderbrekingen zijn gedicht, en de elementenbodemvoorziening, waarvan de naden juist niet zijn gedicht. Het praktische onderscheid zit in de eis eromheen: bij een vloeistofdichte voorziening hoort een periodieke keuring en een verklaring, bij een aaneengesloten voorziening hoort vooral een werkinstructie om direct op te ruimen.
De beoordeling en goedkeuring vinden ten minste eens per zes jaar plaats, dus in de praktijk werkt de verklaring zes jaar vooruit. Die termijn is geen automatisme. Om de verklaring gedurende die zes jaar geldig te houden, moet u jaarlijks een bedrijfsinterne controle uitvoeren volgens bijlage 6 van de AS SIKB 6700 en de resultaten daarvan vastleggen. Blijft die jaarlijkse controle achterwege of worden geconstateerde gebreken niet hersteld, dan kan het bevoegd gezag zich op het standpunt stellen dat de vloer niet meer aantoonbaar vloeistofdicht is, ook al staat de vervaldatum van de verklaring nog ver weg.
Ja. De jaarlijkse controle op gebreken, in de praktijk de bedrijfsinterne controle genoemd, mag degene die de activiteit verricht zelf uitvoeren. U mag hem ook uitbesteden aan een inspectie-instelling. Wat wel vastligt, is de manier waarop: de controle moet worden uitgevoerd volgens bijlage 6 van de AS SIKB 6700. Dat betekent dat u systematisch de vloer, de naden, de kitvoegen, de opstaande randen, de putten en de aansluitingen nagaat en de bevindingen vastlegt. Doe de controle bij voorkeur op een vast moment in het jaar en leg vast wie hem heeft uitgevoerd, want die vastlegging is bij een controle het bewijsstuk.
Dat hangt af van de activiteit zoals het Besluit activiteiten leefomgeving die omschrijft en van de stoffen die vrij kunnen komen. Bij tractiebatterijen met zwavelzuur is de kans op lekkage en morsing reëel, en dan ligt een bodembeschermende voorziening met opvang voor de hand. Bij lithium-ion-accu's ligt het risicoprofiel anders en verschuift het accent naar brandveiligheid. Loop daarom eerst na welke paragraaf van het Bal op uw laadplaats van toepassing is en welke minimale voorziening daar staat. Staat er geen expliciete voorziening voorgeschreven, dan blijft de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal gewoon gelden.
Dan moet u de gebreken herstellen. Voert een regulier bedrijf zonder erkenning de reparatie uit, dan moet het gerepareerde deel daarna opnieuw worden beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6700. Voert een bedrijf met een erkenning voor BRL SIKB 7700 de reparatie uit, dan geeft dat bedrijf een bewijs herstel onder certificaat af en is een aparte herbeoordeling van dat deel niet nodig tot de volgende zesjaarlijkse inspectie. Wel moet er na het herstel een verklaring worden afgegeven op de gehele vloeistofdichte bodemvoorziening, niet alleen op het gerepareerde stuk.
De verplichting uit het Besluit activiteiten leefomgeving ligt bij degene die de activiteit verricht, en dat is in de praktijk de gebruiker van het pand. Wie de kosten draagt is een kwestie van de huurovereenkomst en het demarcatieoverzicht, maar dat verschuift de wettelijke verplichting niet. Vraag bij aanvang van de huur om de laatste verklaring, het bijbehorende inspectierapport, de aanlegdocumentatie en het logboek met de eerdere bedrijfsinterne controles. Laat daarnaast een nulsituatie-onderzoek uitvoeren volgens NEN 5740. Zonder die nulmeting kunt u bij vertrek niet aantonen welke verontreiniging al aanwezig was voordat u het pand betrok.
Voor bodembedreigende activiteiten die onder de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, is een nulonderzoek niet verplicht. Het is wel verplicht bij een aantal vergunningplichtige activiteiten, waaronder het exploiteren van een IPPC-installatie, en dan levert de aanvrager het rapport mee bij de vergunningaanvraag. Vrijwillig uitvoeren is desondanks vrijwel altijd verstandig. Bij beëindiging van de activiteit volgt namelijk een eindonderzoek, en zonder nulmeting wordt in beginsel teruggemeten naar de kwaliteitsklasse landbouw of natuur. U draait dan mogelijk op voor verontreiniging die er al lag voordat u begon.
In de praktijk begint een controle bij de papieren en niet bij de vloer. De toezichthouder vraagt om de geldige verklaring vloeistofdichte voorziening, om het logboek met de jaarlijkse bedrijfsinterne controles, om de onderhouds- en reparatiegegevens en om de plattegrond waarop staat waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, opgeslagen of gemaakt. Daarna loopt hij de locaties na die op die plattegrond staan: de opslag van gevaarlijke stoffen, de werkplaats, de afleverplaats, de afvalcontainers en de olieafscheider. Ontbreekt het logboek, dan kan hij niet vaststellen dat aan de voorschriften is voldaan, en dat is op zichzelf al een tekortkoming.